[Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad]

Jaarvergadering 2002

Jaarverslag van de secretaris

Jaarvergadering op 6 april 2002 in de v.m. synagoge Uilenburg. Voorzitter Schoonenberg luistert aandachtig naar het laatste jaarverslag van secretaris Brinkgreve.
Dames en heren, leden en gasten van onze vereniging. Hendrik Kaptein, vorig jaar benoemd tot bestuurslid, is bereid de functie van adjunct-secretaris op zich te nemen, met de bedoeling dat het woord adjunct over een jaar verdwijnt, wat zeggen wil dat dit de laatste keer is dat ik als secretaris een jaarverslag uitbreng.

Dat lijkt me een passende gelegenheid om, behalve aan berichten over het jaar 2001, aandacht te vragen voor de positie en de taak van onze vereniging in het strijdperk, enerzijds in de verhouding tot de gemeentelijke overheid, anderzijds in relatie tot verwante organisaties. Om met het laatste te beginnen:
Buitenstaanders verbazen zich vaak over de hoeveelheid en de veelsoortigheid van de z.g. 'stadlievende' organisaties. Van dichtbij bekeken hebben al deze groeperingen hun eigen oorsprong en hun eigen sector. Het bekendste voorbeeld is het Genootschap Amstelodamum, dat in 1901 ontstond in de strijd tegen het voorstel om de Reguliersgracht te dempen ten behoeve van de paardentram. Amstelodamum kwam voort uit de kring van het Kon. Oudheidkundig Genootschap K.O.G., dat een belangrijk aandeel heeft gehad in de vestiging van het Rijksmuseum in Amsterdam. Amstelodamum heeft zich ontwikkeld tot een belangrijk wetenschappelijk Genootschap, met personele banden met het Gemeentearchief en het Amsterdams Historisch Museum. Ik denk dan in de eerste plaats aan onze vriend Frans Amende, die in september 2001 overleed. Frans was al jaren penningmeester van Amstelodamum toen hij toetrad tot het bestuur van onze vereniging. Als oud adjunct-bibliothecaris van de U.B. kende hij de gebouwen en de boekenvoorraden beter dan wie ook. Zijn deskundigheid werd geëvenaard door zijn strijdbaarheid – op inspreekbijeenkomsten kon geen wethouder tegen Frans Amende op. Zijn heengaan was voor ons een onvervangbaar verlies.
Die officiële positie (van Amstelodamum?) was geen beletsel voor een scherp kritisch commentaar op het schetsplan-Jordaan in 1970. Maar hoeveel en welke mensen zouden dat deskundige stuk gelezen hebben? In diezelfde tijd bestond de actiegroep Jordaad. Dat was een wisselend gezelschap van hooguit 15 mensen die woonden of werkten in de Jordaan. Geen rechtspersoon dus met leden en een bestuur. In het huis van een der deelnemers aan de Bloemgracht werd de affiche ontworpen. De Jordaan in puin? De afbraak is in 't rood gekleurd "het zal je huis maar wezen!" Die affiche gaf precies de informatie waarvan Stadsontwikkeling het publiek onkundig wilde laten, namelijk wat er voor het gemeentelijk plan gesloopt zou moeten worden. Dat was een voltreffer. De affiche hing in alle cafés. Wethouder Lammers was zo verstandig het voorstel van zijn eigen dienst Publieke Werken in te trekken, daarvoor is bestuursmoed nodig. Voor de drukkosten van de affiche heb ik nog een klein subsidie bedragje van het ministerie losgekregen. De actiegroep Jordaad is vervolgens zonder ceremonie opgeheven. Daar ziet u het verschil in methode en in doeltreffendheid tussen de oude, gevestigde vereniging en de actiegroep. Beide zijn nodig en vullen elkaar aan. Aan de voorbereiding van de affiche werkten ook bestuursleden in Amstelodamum mee, zelfs een ambtenaar van S.O. Het woord 'actiegroep' heeft een ongunstige bijklank gekregen van agressiviteit en eigenbaat, op smaak gebracht met een scheutje klassenstrijd. Met dat soort electorale prietpraat kan de kernvoorraad goedkope huurwoningen in voor het stadsbeeld en het stadsleven onmisbare huizen, niet worden in stand gehouden: daarvoor zijn dure bouwvakkers nodig en dat betekent huurverhoging.
Het andere strijdperk van de jaren zeventig was de Nieuwmarktbuurt. Dat de restauratie van het tot sloop veroordeelde Huis de Pinto een belangrijke rol heeft gespeeld is bekend, maar het project van de stichting de Pinto zou het alléén nooit hebben geklaard. Dank zij verdeeldheid in de PvdA-fractie werd de verkeersdoorbraak met één stem meerderheid afgewezen door de Raad, terwijl het verzet van legale en niet-legale bewoners tegen de slopingen een luide weerklank had in het stadhuis. Actiegroepen verdwijnen gewoonlijk wanneer hun doel bereikt of als onhaalbaar opgeheven is. Er is een voorbeeld van een actiegroep die is blijven bestaan: de bewonersraad Nieuwmarkt. Ieder die in de buurt woont of werkt kan aan de openbare vergaderingen deelnemen. De ambtenaren die met buurtprojecten bezig zijn nemen ook deel aan het overleg. Hoe nuttig het voortbestaan van die door het gemeentebestuur erkende organisatie is, bleek in 1990 toen de stichting Centrum De Waag failliet ging. Die stichting van enkele oud-gemeenteambtenaren had met subsidie een moorddadige verbouwing van het middeleeuwse vestingwerk in gang gezet, maar verdween uit het beeld toen wethouder Genet – terecht – de subsidiekraan dichtdraaide. Het Grondbedrijf, verantwoordelijk voor de mishandeling van het gebouw, zocht toen een kapitaalkrachtige huurder die het plan van de Franse modearchitect Starck wilde afbouwen. De betonpalen voor een enorme broeikas- uitbouw aan de oostzijde zaten al in de grond. Het was de bewonersraad Nieuwmarkt die toen ingreep en de instelling eiste van een adviescommissie van externe deskundigen. Die commissie-Jacobse werkte snel, een half jaar later was de restauratie onder leiding van een bekwame architect in uitvoering. Het volgende voorstel van de commissie was om in de Waag een centrum voor het kinderboek te vestigen. Dat is afgestuit op de tegenwerking van het Grondbedrijf. Het plan kinderboek werd gesteund door bibliotheekdirecteuren, uitgevers en Annie M.G. Schmidt. Het zou de Waag en de Nieuwmarkt een nationale uitstraling hebben gegeven, terwijl het nu een weinig bekend onderdeel van de Kon. Bibliotheek in Den Haag is geworden. Typerend voor de verhouding tussen gemeentebestuurders, hun ambtenaren en de groepen of organisaties uit de burgerij, zoals onze vereniging, die zich belangeloos voor de stad inzetten is een voorval tien jaar later. Tegen het bouwvoornemen van de UvA om op het Binnengasthuisterrein een kolossale bibliotheek te bouwen, bestaat zoals bekend, veel weerstand. Bij de inspraak heb ik toen voorgesteld om, net als bij de Waag, een adviescommissie van externe deskundigen te benoemen, mensen die met kennis van zaken buiten de sfeer van prestigeprojecten. Wethouder Stadig reageerde woedend, dat nooit, die commissie had er een puinhoop van gemaakt die hij, als wethouder had moeten opruimen. Ik heb Stadig toen schriftelijk rectificatie gevraagd van die geschiedvervalsing, het is de commissie-Jacobse geweest die de door wanbeheer van het Grondbedrijf veroorzaakte puinhoop had geblokkeerd en omgezet in een verantwoorde restauratie. Ik ben namelijk secretaris geweest van de commissie- Jacobse, en dat archief heb ik nog. Een rectificatie is niet gekomen, wel kwam in januari 2001 een slap briefje dat eventuele missers van de gemeente plaats hadden gevonden vóórdat hij, Stadig, wethouder was. Alsof het dáárom ging! Waar het wel om gaat is dat opinies en initiatieven van buiten de politiek- ambtelijke kring worden bejegend als activiteit van hinderlijke buitenstaanders, bemoeiallen, zelfs vijanden, die je zo lang mogelijk moet negeren.
Toen, als reactie op het dempingsvoorstel van Hoofdcommissaris Kaasjager, in 1955 in de Amstel Brouwerij het comité de Stad Amsterdam bijeenkwam, was het gemeentebestuur er niet bij. Wel bevatte dat comité nagenoeg alles wat toen in Amsterdam naam en gezag had: de Kamer van Koophandel, de universiteit, de rechterlijke macht, de kunstwereld, de vakbeweging en, natuurlijk, Heemschut, Amstelodamum, het K.O.G. en Hendrick de Keyser. Uit die hoek kwamen de voorstellen. Een tentoonstelling "Levend Amsterdam, hoe een moderne stad zijn oude schoonheid kan behouden", die op verschillende plekken in de stad te zien is geweest, trok veel belangstelling – behalve van het gemeentebestuur, al kwamen enkele raadsleden op een stil moment even kijken. Het aanbod een stedenbouwkundige studie te laten verrichten naar uitbreiding van verkeers- en bedrijfsruimte buiten de binnenstad, en om de kwijnende woonfunctie in het centrum te stimuleren, werd met een hooghartig briefje afgewezen. De gemeente had toch een afdeling Stadsontwikkeling onder leiding van de internationaal bekende Cornelis van Eesteren. Diens visie op de ontwikkeling van de binnenstad kunnen wij bewonderen in de Weesperstraat en de noordzijde Jodenbreestraat, de visie van het comité de Stad Amsterdam kreeg gestalte in de Mij. tot Stadsherstel, en het herstel van de woonfunctie; vooral van de woonhuismonumenten. Die tegenstelling is nog altijd even zwart-wit als een halve eeuw geleden.
Onze vereniging heeft twee 'speerpunten'. De ene is de 'Werkgroep Waakhond', een initiatief uit de ledenvergadering in het Bijbels Museum enkele jaren geleden. Sindsdien heeft de werkgroep een methodiek ontwikkeld van plan-beoordeling en het opstellen van zienswijzen en bedenkingen, die samen met de gemeentelijk commissie voor Welstand en Monumenten, in de wandeling 'de Welstand' het officieel beschermde stadsgezicht in feite moet verdedigen tegen dissonante projecten. De voorzitter van de Werkgroep brengt afzonderlijk verslag uit, ik kan dus volstaan met de opmerking dat naar mijn mening de vele uren onbetaalde en deskundige arbeid van de 'waakhonden' in het verslagjaar opnieuw belangrijke diensten hebben bewezen aan de schoonheid van onze stad. De Tweede speerpunt is ons tijdschrift Binnenstad, dat in 2001 wederom verscheen met 6 nummers verdeeld in 120 pagina's. Voor het eerst sinds in juni 1967 het eerste nummer verscheen van de Lamp van Diogenes, voorganger van ons tijdschrift, ontbreekt de naam van Frans Hupsch in de redactie. Zijn hoge leeftijd maakt hem verdere deelname aan vergaderingen bezwaarlijk. Toen wij met ons verenigingsblad begonnen, was de formidabele terreinkennis van Hupsch in het stadhuis een veilig baken in de woelige baren van de gemeentelijke politiek. Als oud-hoofd van het Gemeenteblad kende hij de grenslijn tussen gerucht en realiteit. Als verantwoordelijke eindredacteur blijft de schrijver van dit verslag uitkijken naar jongere medewerkers en naar iemand die zijn functie kan gaan overnemen. Uit vele reacties, schriftelijk en telefonisch, blijkt dat lezers tevreden zijn, zowel over de vorm als over de inhoud van Binnenstad. Dat sterkt de meer dan 80- jarige redacteuren in hun zelfvoldaan conservatisme. Binnenstad is militanter en ziet er levendiger uit dan Amstelodamum en waardiger van uiterlijk dan Ons Amsterdam, dat onlang in een kleurig nieuw toilet verscheen, en daarbij controversiële onderwerpen liever vermijdt. Ik bedoel dit niet als kritiek op onze zuster-periodieken, ik lees elk nieuw nummer van Amstelodamum en van Ons Amsterdam met plezier. Wat ik bedoel is dat tussen het wetenschappelijke Amstelodamum en het populaire Ons Amsterdam ruimte is voor het kritische en in zijn meningen onafhankelijke tijdschrift Binnenstad, dat niet bang is om ten stadhuize minder welkome waarheden ten noemen. Die onafhankelijkheid moet zorgvuldig worden bewaakt, ook intern. Bestuurs- en redactieleden zijn het niet altijd met elkaar eens, wij zijn niet afkerig van een stukje discussie of polemiek, maar wij willen niet ongemerkt voor het karretje gespannen worden van partijpolitieke of economische belangen, hoe legitiem daarvan de meningen ook zijn mogen.
Daarmee kom ik op de contacten, meningsverschillen, soms controversen tussen ons en de gemeentelijke overheid of het gemeentelijke apparaat. Wanneer ik het tijdschrift en de Werkgroep Waakhond mag vergelijken met commando's die snel kunnen reageren, dan is het Amsterdam-overleg, waaraan nu ook het Cuypers Genootschap en Stadsherstel deelnemen, meer een soort generale staf. Het schampere grapje van officieren te velde dat de generale staf inmiddels precies weet hoe Napoleon die slag bij Waterloo had moeten winnen, wijst ook in die richting. Het Amsterdam-overleg komt ongeveer eens in de zes weken bijeen in het Aalsmeerder Veerhuis, om te beraadslagen over de vraag of een gemeenschappelijke standpuntbepaling nodig is over grote projecten zoals het BG-terrein of de zuidelijke IJ-oevers. Sommige projecten zijn ook voor het Amsterdam-overleg te groot. Persoonlijk zie ik in de Noord/Zuidlijn op het ogenblik de grootste bedreiging van de stad, maar die mening wordt niet door alle deelnemers gedeeld, terwijl andere het onderwerp niet meer op de agenda willen hebben omdat er toch niets meer aan te doen is. Dat laatste is natuurlijk formeel juist: het is de gemeenteraad die beslist of het zin heeft om 2½ miljard in een 30 meter diepe bouwput te gooien voor een openbaar vervoerssysteem waarvan wij nu al weten dat het verouderd zal zijn als het ooit voltooid wordt. Wat wij kunnen doen blijft verontwaardigd gepruttel in de marge. Ook dat is echter niet overbodig. In februari 1953 aanvaardde de Gemeenteraad de samenhangende 'wederopbouwplannen' Weesperstraat-Jodenbreestraat- Nieuwmarkt. Dat de raadsleden er op dat moment niet met veel aandacht bij waren, lag voor de hand: juist toen kwamen de berichten over de overstromingsramp in Zeeland en Zuid-Holland binnen. De bezwaren tegen de wederopbouwplannen lagen echter wel ter tafel: het waren de vier verenigingen Heemschut, Hendrick de Keyser, Amstelodamum en K.O.G. die waarschuwden dat het niet aanging om 96 op de voorlopige monumentenlijst vermelde panden, waaronder de Armeense Kerk en het Huis de Pinto, met één klap tot sloop te veroordelen. Toen ik vijf jaar later mijn eerste toespraakje in de Gemeenteraad hield – het onderwerp was de m.i. noodzakelijke herziening van het wederopbouwplan Nieuwmarkt – kon ik aanhaken bij het door Ton Koot opgestelde Heemschut-bezwaarschrift uit 1953. Natuurlijk werd ik berispt door de grootste raadsfractie – het geeft geen pas voor een nieuweling om hun wijsheid vijf jaar later te betwijfelen, maar herziening van het wederopbouwplan en handhaving van het Huis de Pinto stond sindsdien op de politieke agenda. De bezwaren en gevaren van de NZ-lijn zijn al lang bekend. De vereniging de Bovengrondse houdt hardnekkig vol, en wij steunen met een rubriekje "Metronieuws". Wat wij kunnen doen is een bijdrage leveren in de vorming van de publieke opinie.
De instandhouding van de monumenten, afzonderlijk en als element van het beschermde ensemble, wordt in belangrijke mate bepaald door de verstandhouding tussen de overheid – rijk en gemeente – en de eigenaren. Ik geef u een recent voorbeeld. De eigenaren van een monument aan de Prins Hendrikkade, wilde twee gevelstenen in de borstwering van hun pand plaatsten met een voorstelling van trouwringen, verwijzend naar de situatie dat de beide eigenaren daar al 20 jaar samen wonen. Formaat en vormgeving passen in de ambachtelijke traditie van de Amsterdamse gevelsteen, inhoudelijk is het een goed gevonden hedendaagse symboliek. De gevelsteen als een tak van hedendaagse beeldhouwkunst is ontwikkeld in het restauratieatelier Uilenburg tussen 1968 en '86 onder leiding van Hans 't Mannetje. In september j.l. reikte de wethouder monumentenzorg de door de stichting Heijmeijer van Heemstede ingestelde 'stadsbeeldprijs' uit aan 't Mannetje voor zijn pionierswerk op dit gebied. De vereniging Vrienden van Amsterdamse Gevelstenen is voortdurend bezig, niet alleen met restaureren en herplaatsen van oude stenen, maar ook met het stimuleren van opdrachten voor nieuwe. Op tientallen plaatsen is het oude stadsbeeld op discrete wijze verlevendigd door nieuwe gevelstenen die met hun verhaal de geschiedenis van het pand voortzetten. De eigenaren hebben, zoals dat hoort, monumentenvergunning aangevraagd, het gaat om een wijziging van de voorgevel.
En wat zeggen de ambtelijke monumentenzorgdeskundigen in de Gemeente en het Rijk? Zij zijn, zonder enig overleg met belanghebbenden, of zelfs nadere toelichting, tot het inzicht gekomen dat wat voor kort toegelaten of zelfs toegejuicht werd, nu volstrekt verkeerd is. Ik citeer; "Het is vanuit monumentaal oogpunt zeer onwenselijk dat willekeurige persoonsgebonden gevelstenen die geen directe relatie hebben met het historische pand, in een monument worden aangebracht… De huidige gevel heeft nooit een gevelsteen gehad en het is niet bekend of er ooit een of meer gevelstenen hebben gezeten". Die tegenstrijdige nonsens komt met minieme varianten terug in de adviezen die instanties elkaar sturen. De gevelsteentjes voor Prins Hendrikkade 148 zijn een 'zaak' geworden met een 'dossier', waarin namens de staatssecretaris van O.C. & W. het standpunt van diezelfde staatssecretaris zeer ongewenst wordt genoemd. Langs deze lijn verschraalt monumentenzorg tot documentenzorg, tot er alleen fragmentenzorg overblijft, zoals het ruïnekerkje van Bergen NH of de ruïne van het kasteel Brederode. Er komt nu een deelraad Binnenstad. De eerste beleidsvoornemens zijn meer ruimte voor horeca en evenementen concreter: voor de kroegazen, lolroeken en reclamejongens. Ik wens mijn opvolger een onafhankelijk oordeel en een scherpe pen, en ik dank u voor uw aandacht.

Geurt Brinkgreve, 6 april 2002