Het bovenstaande heeft in elk geval betrekking op de term ''verglazing", die hier bedacht is om een bepaald proces aan te duiden, maar die verder niet bestaat. Met verglazing bedoelen wij het toenemende gebruik van glas in gevels. Er zijn daarvoor evengoed andere termen denkbaar.
Er is echter een reden waarom de term verglazing de voorkeur verdient. Hij is familielid van een andere, nieuwe term , die de laatste tien jaar zijn bestaansrecht bewezen heeft, namelijk ''verstening". Met de verstening van het stadshuis is een bepaald facet in de geschiedenis van het bouwen duidelijk gemarkeerd. Nu is de verglazing niet alleen een soortgelijk proces als de verstening, maar zelfs een proces dat in samenwerking met de verstening optreedt. Van de middeleeuwse huizen, die vrijwel geheel in hout waren uitgevoerd, zijn de vaste gedeelten van zijwanden of gevels in later tijd versteend, de beweegbare houten onderdelen zoals de luiken, zijn verglaasd.
Wanneer we bij het begin beginnen en onze blik laten gaan over de schaarse afbeeldingen van de laat-middeleeuwse houten gevels en letten op de grote vensters in de gotische kerken, dan zouden we ons kunnen afvragen wat er nog verder te verglazen viel. We denken dan aan het oude engelse rijmpje dat zegt: "Hardwick Hall, more glass than wall". De glazen van deze gebouwen zaten vast in de wand en delen die open konden waren houten luiken, die men ''vensters" noemde.
Toen omstreeks 1600 het versteningsproces in de woonhuisbouw begon door te zetten, raakten deze grote glasoppervlakten uit de mode.
Bij de woonhuisgevels werden die delen die vroeger met houten planken bekleed waren, in steen uitgevoerd. Het was daarbij tevens nodig om een aantal glaspanelen door stenen muurwerk te vervangen, aangezien anders de bovenliggende verdieping te weinig steun zou krijgen. De verstening van de stadse woonhuisgevel was niet anders mogelijk dan door het aantal velden dat door glas of luiken gesloten was te verminderen. Ook de houten onderpuien verdwenen geleidelijk en maakten plaats voor een stenen ondergedeelte. De stenen gevels uit het begin der 17de eeuw zijn nogal dicht, de glasoppervlakte is zeer beperkt, zij vormen een duidelijker beginpunt van het verglazingsproces dan de oudere houten gevels.
Het lange proces der verglazing begint heel bescheiden, haast onzichtbaar. Achter de naar buiten draaiende luiken worden naar binnen draaiende ramen aangebracht.
De luiken verdwenen niet, maar waren vaker geopend. Deze openstaande luiken, die soms loodrecht op het gevelvak stonden als een soort oogkleppen, in andere gevallen weer geheel omgeklapt waren zodat ze tegen de muur aanlagen, waren een moeilijk element in de architektuur. Zij gaven de gevels wel een zekere levendigheid, doch verstoorden de lijnen van de architektonische kompositie. Bovendien eisten zij veel onderhoud. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men deze luiken wegliet, zodat in de plaats van het naar buiten draaiende luik nu een naar buiten draaiend glazen raam kwam.
Met het nieuwe venstertype, het schuifraam dat omstreeks 1700 te Amsterdam zijn intrede deed, was het probleem van het naar buiten draaiende luik geheel verdwenen. Niet alleen de luiken, ook het zware houten kruis in het midden van het kozijn had afgedaan, het raam bestond nu alleen uit een aantal ruiten in dunne houten roeden gevat. Door deze verandering waren belangrijke houten elementen uit de gevelarchitektuur verdwenen. Het glasoppervlak was vergroot mede doordat de onderdorpel van de vensters iets lager werd gelegd. Hierdoor
begon het glas weer iets terug te winnen van het terrein dat het stenen muurwerk omstreeks 1600 veroverd had.
De houten kozijnen, die glas en steen samenbrachten, werden soms achterin de gevel geplaatst en goeddeels achter het muurwerk verborgen. Zij worden dan minder belangrijk in de gevelkompositie en de ruiten konden groter worden. Met veel variaties in detaillering heeft dit schuifraam dat uit een oogpunt van verglazing een belangrijke stap vooruit betekende, meer dan twee eeuwen lang het Amsterdamse gevelbeeld beheerst. Toch waren er in de gevelwand,
ook in het tijdperk van het schuifraam, meer houten luiken dan we ons thans wel realiseren. Er waren veel huizen waarvan de bovenverdiepingen gebruikt werden voor berging en waar in het midden van de gevel tussen de schuifvensters een hijsluik was geplaatst. Ook stonden er tussen de woonhuisbebouwing een groot aantal pakhuizen en industriegebouwen die er uitzagen als pakhuizen. Op enkele plaatsen in de stad waren er gehele grachtwanden van pakhuisgevels. Ook bij de pakhuizen zien we het proces der verglazing optreden, doch later en in een meer aarzelende vorm.
Pakhuisgevels bezaten een heel duidelijk stenen karakter. Er is een soort pakhuizen met zware houten kozijnen en rechthoekige openingen, veelal zijn zij nog in het bezit van
een houten onderpui. Zij tonen een band met de oudere houten gevels. De meeste pakhuizen uit de 17de eeuw bezaten echter door rondbogen afgedekte muuropeningen, waarbij de houten luiken zonder kozijnen rechtstreeks in het muurwerk geplaatst waren. De herkomst van deze massief stenen pakhuisgevel is nog onbekend. Bij alle pakhuisgevels, of ze nu van het inheemse of het stenen rondboogtype waren, ontbraken glasramen.
Er waren grote luiken om te kunnen hijsen en kleinere luiken om open te zetten wanneer er licht of lucht nodig was.
Het proces van de verglazing kreeg het eerst vat op de kleinere luiken. Deze maakten plaats voor glasramen. De openingen worden daarbij vaak groter en rechthoekig van vorm. Het beglazen van de grote hijsdeuren was een moeizamer proces, waarvan slechts enkele vroege voorbeelden te vinden zijn, doch dat eerst laat algemeen werd.
In de Bank van Leening aan de O.Z. Voorburgwal waren de hijsdeuren al in de 18de eeuw niet meer nodig, zij werden toen vervangen door een vaste beglazing van kleine ruiten, die in
de oorspronkelijke deursponning was geplaatst. Aan de N.Z. Voorburgwal 64 vinden we een pakhuis waarbij de kleine ruiten van de zijvensters in de grote middendeuren herhaald zijn. Eerst in de 19de eeuw gaat de verglazing zich bij de pakhuisluiken doorzetten. Men maakt daarbij gebruik van een ontwikkeling die reeds in de 18de eeuw begint en wel het naar binnen draaien van de pakhuisdeur, waarbij deze achter in het gevelvlak geplaatst wordt. Hierdoor wordt de vorm van de opening in het muurwerk belangrijker dan de detaillering van de deur. Het valt bij naar binnen draaiende deuren minder op wanneer er ruiten in gemaakt worden dan bij naar buiten draaiende.
In de loop van de 19de eeuw is deze ontwikkeling bij de pakhuizen voltooid. Het 19de eeuwse pakhuis heeft glazen zijramen, naar binnen draaiende hijsdeuren, die veelal met glas
zijn gevuld. De oudere pakhuizen worden dan naar dit model gewijzigd.
De processen van verstening en verglazing zijn van zo fundamentele aard, dat zij zich tot in onze tijd hebben voortgezet. De houten konstruktiedelen zijn thans goeddeels uit het bouwen verdwenen. Funderingen, vloeren en trappen worden steeds meer van het steenachtige beton. Hout als bouwmateriaal wordt nog slechts voornamelijk voor bekleding gebruikt. De verglazing echter heeft zich in onze eeuw in zo'n ongekende omvang doorgezet, dat we zonder aarzelen van het tijdperk der grote verglazing mogen spreken. Niet alleen werden de lichtopeningen steeds groter en steeds meer gevuld door enkele grote ruiten, het glazen bouwmateriaal begon ook het steenachtige materiaal voor de gevelbekleding te verdringen. In het begin van beide processen voltrok zich de verstening sneller, aan het eind de verglazing. Ook oude gebouwen moeten aan de moderne verglazingslust geloven. Bij woonhuizen geschiedde dit reeds voor onze tijd. De houten hijsdeuren zijn daar reeds verdwenen, de houten roeden maakten reeds plaats voor groter glas. Bij de pakhuizen zitten wij voor de verglazingsproblemen.
Door allerlei omstandigheden, vooral ook van verkeerstechnische aard, hebben de pakhuizen hun funktie verloren. Eigenlijk behoeven we daarover nog niet verdrietig te zijn. Kleine veranderingen in het gebruik zoals het mechanisch hijsen, waarbij zwaardere lasten met groter kracht worden opgetrokken en gevels bij aanraking ook zwaarder beschadigd worden, maken een voortzetting van het huidige gebruik niet aantrekkelijk. Bovendien is de uitbreiding aan woonruimte in de binnenstad, die door het funktieverlies van pakhuizen mogelijk wordt, een goed ding. Maar deze nieuw geschapen woonruimte eist een zo groot mogelijk glasoppervlak in de gevels. Niet alleen de kleine zijluiken, ook de grote hijsdeuren moeten nu van glas worden voorzien.
Het heeft weinig zin hier een theoretisch drama van te maken en het karakterverlies van het oude pakhuis teveel te beklemtonen.
Het heeft ook niet zoveel zin allerlei theoretische spelregels te bedenken zoals het handhaven van oude pakhuisdeuren in open toestand. Ze kunnen dicht, maar gaan het nooit. Ze hangen als grote flappen voor de gevel, trekken onnodig veel aandacht en verstoren de lijnen van de architektuur. Op oude tekeningen zien we vaak de hijsdeuren van de pakhuizen open staan, maar niet op alle verdiepingen tegelijk en allemaal precies op dezelfde wijze. Het is deze uniforme stand die ze zo opvallend maakt en tot een te belangrijk element in de gevelkompositie verheft.
Het is wellicht beter te bedenken dat ons werk niet zo fundamenteel van dat van vroeger verschilt. We zijn bezig aan het laatste staartje van de grote verglazing, meer niet. Wij zouden ons daarom beter kunnen aansluiten bij de vele 19de eeuwse voorbeelden die nog uitgevoerd zijn ten behoeve van de pakhuisbestemming en vaak zo eenvoudig van vorm, dat ze nauwelijks opvallen.
Het bekijken hoe vroegere meer onbevangen lieden zulke problemen oplosten, is bij restauraties vaak vruchtbaarder dan het houden van theoretische beschouwingen, of het onnodig en demonstratief eigentijds willen doen. Niet dat we ons bij alles wat we doen altijd bij oudere voorbeelden moeten aansluiten, maar als ze goed zijn mogen we ze toch zeker gebruiken, omdat een eenvoudige timmermansoplossing van vroeger vaak beter bij zulke simpele zaken als pakhuizen past dan het diepe denken van onze tijd.
Tenslotte mag de grote verglazing er niet mee eindigen, dat alle vensters en luiken van huizen en pakhuizen glazig en hol staren naar een verleden dat voorbij is, of naar een toekomst die maar niet wil beginnen.
Ir R. Meischke
(Uit: De Lamp van Diogenes 38, juni 1976)
Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.
Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.
Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.