Voor het eerst werd een gemeentelijke beleidslijn voor de binnenstad uitgestippeld die zich onder meer tot doel stelde het stadsschoon te handhaven, de woonfunctie te bevorderen, de cityvorming af te remmen, de autoverstikking te bestrijden en die vooral grote dempingen en doorbraken afwees.
Dat er in de volgende jaren vaak van deze goede voornemens werd afgeweken weten wij. Belangrijker is echter hoe de lijn verder getrokken zal worden. Na jaren aangekondigd te zijn is nu de tweede Nota-Binnenstad verschenen, als voorontwerp en discussiestuk, waarover B. en W. de opinie vragen van deskundige organisaties en particulieren. Nu is het een fraai uitgegeven boekje, van. 151 blz., vol kaarten en grafieken in veelkleurendruk. Zeker een aanwinst voor de boekenkast van alle binnenstads-belangstellenden (hun aantal groeit verheugend!), want men vindt er een grote hoeveelheid gegevens in, overzichtelijk gerangschikt, die nodig zijn om een beleid op te baseren. Welke conclusies B. en W. uit dit materiaal zullen trekken blijft onzeker. Men kan er alle kanten mee op. Het is te vroeg om hiervan een verwijt te maken: de lezer kan er een bewijs in zien dat het gemeentebestuur de reacties afwacht.
Op één punt willen wij namens Diogenes de aandacht vestigen: de woonfunctie. Er is geen verschil van mening meer over de noodzaak om de binnenstad zoveel mogelijk bewoond te houden. Het defaitisme van 10 tot 20 jaar geleden dat de bewoning uiteindelijk weggedrukt zal worden (economisch gezien: zal moeten worden) door de bedrijven, wordt niet meer verkondigd. Er is een sterke, toenemende vraag naar binnenstads-woningen, de aantrekkelijke levendigheid van het centrum hangt er goeddeels van af, de spitsuurdrukte wordt er door tegengegaan en de monumentenzorg kan niet zonder.
De woonfunctie is een zaak van hoeveelheid en van hoedanigheid. De nota deelt mee dat in 1960 van het totale vloeroppervlak in de binnenstad zonder de eilanden nog 37% voor wonen werd gebruikt, voorts 4,9% horeca, 5,5% cultuur en openbare gebouwen, 6,7% winkels, 21,6% kantoren, 8,9% fabrieken en werkplaatsen, 1,7% garages, 10,9% bergplaats en 2,8% leegstand. Sindsdien is de woningvoorraad verder achteruitgegaan. In deze bestemmingslijst zijn er een paar die met het oog op de betekenis die het centrum heeft voor de groeiende stad, een grotere hap van de koek zullen moeten krijgen. Dat zijn cultuur en openbare gebouwen (universiteit), winkels, horeca (hotels vooral) en garages (om wat auto's van de straat te krijgen). Dan gaat het tussen de afbrokkelende 37% woonruimte en de 41,4% van kantoren, fabrieken en magazijnen. De binnenstad is, zoals iedereen weet, op veel punten verstikt. Er zal in de lijn van het plan Bethaniënbuurt wat binnenruimte vrijgemaakt moeten worden voor groen, lucht en licht. Dat betekent een vermindering van het bebouwde oppervlak en - tenzij men het "Manhattan-effect" aanvaardt - een vermindering van het totale vloeroppervlak. Om het huidige inwonertal van de binnenstad te handhaven zal dus van het verminderde totaal een aanzienlijk hoger percentage voor bewoning bestemd moeten worden. Deze conclusie inzake de hoeveelheid wordt versterkt door de gegevens die de nota verstrekt over de hoedanigheid. De woningvoorraad in de binnenstad bestaat voor 55% uit één of twee kamerwoningen, 85% is gebouwd vóór 1906, 68,3% heeft geen badgelegenheid. Deze kleine, oude woningen zullen grondig opgeknapt moeten worden om in de toekomst bruikbaar te blijven. De vroegere bewoningsintensiviteit komt, gelukkig, niet meer terug. Het gevolg is dat dezelfde woningvoorraad veel minder mensen kan bergen, of wel dat er om het inwonertal op peil te houden een forse vermeerdering van het vloeroppervlak woonruimte nodig is. Zetten wij deze kwantitatieve en kwalitatieve gegevens bij elkaar, dan toont de Nota duidelijk aan - zonder het te zeggen - dat handhaving van de in vele opzichten on misbare woonfunctie van de binnenstad alleen mogelijk is door een drastische vermindering van de ruimten voor kantoren, fabrieken en bergplaatsen, waar voor elders in de stad plaats moet worden gemaakt. Deze conclusie zal ongetwijfeld op verzet stuiten, in de eerste plaats van de onroerend goed-maatschappijen die dure bedrijfsruimte in de binnenstad willen maken.
De kaarten liggen nu echter op tafel. Behoud van al wat ons in de Amsterdamse binnenstad lief is, de sfeer en de schoonheid, de levendigheid en het culturele ontmoetingsklimaat, hangt af van de keuze die als beleidslijn gemaakt moet worden tussen verbetering of verlies van de woonfunctie, vermindering van de bedrijfsruimte of het recht van de economisch sterkste om de stad ten eigen bate te verminken.
(Uit: De Lamp van Diogenes 5, juli 1968)
Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.
Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.
Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.