Monumentenzorg zakt in

"Hoewel de groei van de activiteiten in de restauratiesector zich nog voortzet en de belangstelling voor het behoud van het stadsbeeld nog steeds stijgt, moeten wij helaas constateren dat het aantal restauraties dat in 1978 zal gereedkomen kleiner zal zijn dan in 1977, ondanks het feit dat het aantal aanvragen voor subsidie gestaag blijft stijgen."

1-2-3-enz?
1-2-3-enz?

Aldus begint de paragraaf Monumentenzorg in de missive bij de gemeente begroting 1979. Ambtelijk proza heeft een eigen, om niet te zeggen: eigenaardige stijl. Het is doorweven met voorbehouden en slagen-om-de-arm, waar uit een nevelgordijn opstijgt tussen woorden en werkelijkheid. Groei van activiteiten kan immers ook slaan op de groei van ambtelijke procedures, stijgende belangstelling is niet te meten en een stijgend aantal subsidie-aanvragen betekent alleen dat de stapel niet afgehandelde dossiers hoger wordt. Waar het op aankomt is het aantal restauraties. Wil men het Amsterdams monumentenbezit in stand houden dan moeten er, zo stelden B&W in 1975, 250 panden per jaar in de steigers, waarvan circa 10% voor een totale restauratie. In 1975 en 1976 werd dat aantal bijna gehaald; toen waren het er 223 en 228. In 1977 daalde het tot 207. Voor 1978 wordt het cijfer niet genoemd, maar het is geen geheim dat het tussen 120 en 130 ligt. In 1979 kan verwacht worden dat het aantal tot beneden de honderd zal zakken.

Catastrofale inzinking

Om de betekenis van deze catastrofale inzinking te peilen moeten wij in de eerste plaats letten op de verhouding tussen overheidszorg en particulier initiatief. Deze verhouding is bij monumentenzorg een andere dan bij de meeste overheidstaken, waar de regering, de provincie of de gemeente regels stellen en zelf actief handelen. Noch de rijksdienst noch de gemeentelijke bureaus voor monumentenzorg beheren zelf monumentale gebouwen. Voor zover monumenten overheidseigendom zijn, ressorteren zij onder andere diensten, hetzij de Rijksgebouwendienst, hetzij provinciale of gemeentelijke instanties. Het overgrote deel van de geregistreerde monumenten is eigendom van natuurlijke of rechtspersonen. Dat eigendomsrecht houdt de verantwoordelijkheid in voor goed beheer. De Monumentenwet beoogt niet anders dan 'bepalingen vast te stellen voor het behoud van monumenten van geschiedenis en kunst'. De verbodsbepalingen in de wet hebben de bedoeling, tegen duidelijk slecht beheer, zoals vernieling of verminking, te kunnen optreden. Tussen verantwoord monumentenbeheer en verwaarlozing of afbraak bestaat een ruime marge. In die marge opereert de Monumentenzorg. Door overreding, adviezen en subsidiesteun moeten deze diensten op rijks- en gemeentelijk niveau de eigenaren ertoe zien te brengen, hun bezittingen te beheren als monumenten en niet alleen als min of meer rendabele onroerende goederen. Monumentenzorg is daarbij afhankelijk van de bereidheid van de eigenaren om méér te doen dan het economisch nodige, zelfs om financiële risico's te lopen op grond van emotionele, niet zakelijke overwegingen. Het Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg is er in 25 jaar in geslaagd dat noodzakelijke klimaat van vertrouwen en enthousiasme tussen monumenteneigenaren en het ambtelijk apparaat aan te kweken. Duizenden eigenaren hebben meegewerkt. Een reeks niet-winstbeogende instellingen is in het leven geroepen om de moeilijkste gevallen op te knappen. De wijze waarop het Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg het particulier initiatief heeft gestimuleerd en begeleid, trok internationaal de aandacht.

Schrale bezuinigingswind


De toekomst van ons verleden?
De toekomst van ons verleden?

Wat nu gebeurt betekent dat het weer omslaat: het wordt schraal en guur. De eigenaren die in goed vertrouwen op de vigerende subsidieregelingen aan restauraties zijn begonnen, voelen zich, om de Amsterdamse oud-wethouder Koets te citeren: "hogelijk belazerd". Stadsherstel heeft al in zijn jaarverslag '77 een vermindering van het restauratievolume aangekondigd, omdat de bedragen die moeten worden voorgefinancierd wegens de steeds langer wordende voorbereidingsprocedure én de te late uitbetaling van subsidies een te zware last gaan vormen. Ook Diogenes gaat zijn restauratieprogramma in 1979 drastisch beperken. De particuliere eigenaren verkeren in een nog veel ongunstiger positie dan de restaureren de instellingen. Er zijn al tientallen Arob-procedures aangespannen - en gewonnen - tegen het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk wegens het niet-uitbetalen van toegezegde subsidies. De rijksdienst reageert hierop door geen toezeggingen meer te doen, met name in de stadsvernieuwingsgebieden, zoals de Jordaan, waar de noodzaak om de restauratieactiviteit gaande te houden nu juist het grootst is.

De vorengenoemde begrotingsmissive merkt op: "De situatie wordt nog uitzichtlozer doordat in de onderhavige gevallen ook van gemeentewege geen subsidie wordt toegezegd, aangezien de gemeentelijke bijdragen via de z.g. verfijningsregeling aan de toezeggingen van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk zijn gekoppeld".

De gemeentelijke monumentenzorg komt verder klem te zitten, omdat de eisen van Bouw- en Woningtoezicht steeds hoger worden opgeschroefd en omdat de rijksdienst zich meer met restauratieplannen in Amsterdam gaat bemoeien naarmate deze dienst er minder geld voor beschikbaar heeft. In de rijksdienst voert thans een kunst historisch puritanisme de boventoon, waarbij het conserveren van latere verbouwingen, ongeacht hun kunstzinnige waarde of bruikbaarheid, belangrijker wordt geacht dan de architectonische gaafheid en de toekomstige functie van een gebouw: documentenzorg in plaats van monumentenzorg.

Dergelijke verschuivingen voltrekken zich geleidelijk. Het tijdsverloop tussen de aankoop van een bouwvallig monument en de voltooiing van de restauratie is minstens vijf jaar. Wie eenmaal begonnen is en al veel tijd en geld in de voorbereiding heeft gestoken, geeft het niet graag op. Vandaar dat er nog altijd veel zaken in behandeling zijn. De barometer wordt echter gevormd door het aantal werken dat in uitvoering komt, en dat keldert. Velen durven het niet meer aan; algemener nog is de malaisestemming dat men er geen zin meer in heeft.

Monumentenjaar (1975): keerpunt in de verkeerde richting?

Het lijkt wel, of het Monumentenjaar een keerpunt in de verkeerde richting is geweest. Voordien had een eigenaar of bestuurder van een restaurerende instelling het gevoel als bondgenoot te worden begroet. Er waren natuurlijk bij elk project moeilijkheden en zelfs weerstanden te overwinnen, maar dat ging, in ieder geval met behulp van de monumentenzorg-ambtenaren, in een sfeer van wederzijdse bereidheid om elkaar te helpen. Tegenwoordig heeft degene die met een restauratieplan bezig is, te maken met een reeks van onpersoonlijke 'instanties', die hun onderlinge grensconflicten op zijn kosten uitvechten. Hij wordt van het kastje naar de muur gestuurd, hij wordt aan het lijntje gehouden, hij krijgt toezeggingen die niet of jaren later slechts ten dele worden nagekomen, hij moet steeds meer instanties aflopen en komt telkens tot de ontdekking dat de één het nét weer anders wil dan de ander. Wanneer dergelijke situaties zich voor doen in sectoren van het maatschappelijk leven, waar financiële belangen de doorslag geven, dan kan men winst en tijdverlies tegen elkaar afwegen en voor zichzelf beslissen, of het al dan niet de moeite loont. Voor mensen die monumenten beheren gelden andere maatstaven. Het gaat om hun bereidheid om méér dan het zakelijk verantwoorde op te brengen. Wanneer deze bereidheid wordt ontmoedigd in plaats van aangemoedigd, dan kan de monumentenzorg in Nederland zich verder gaan bezighouden met het begeleiden en beschrijven van een geleidelijk, maar weldra niet meer te stuiten af braakproces. Daar begint het hard op te lijken. Het is hoog tijd dat degenen die in Den Haag, in Zeist en in Amsterdam verantwoordelijk zijn voor deze gang van zaken, zich realiseren wat daarbij op het spel staat.

Voor wat de culturele betekenis van het architectonische erfgoed betreft kan worden verwezen naar de 'Declaratie van Amsterdam', waarmee het jaar M-75 plechtig werd afgesloten. Voor Nederland komt daarbij dat het grotendeels om woonhuizen gaat. Behalve de samenhang, de herkenbaarheid en het maatschappelijk functioneren van de oude stads- en dorpskernen is daarbij een niet onbelangrijke woningvoorraad gemoeid, die door restauratie opschuift naar een hoogwaardige categorie, waaraan grote behoefte bestaat, maar die door verdere verwaarlozing afzakt tot krotten complexen, welke op den duur peperdure saneringen onvermijdelijk maken. In de bouwnijverheid is de restauratiesector de meest arbeidsintensieve en de hogeschool voor veelzijdig vakmanschap. Er zijn niet alleen duizenden arbeidsplaatsen van afhankelijk, maar ook niet te schatten factoren van arbeidsvreugde en beroepsopleiding.

Tot slot moet het toerisme worden genoemd, als een toch niet te verwaarlozen welvaartsbron. Amsterdam is nog altijd de vierde toeristenstad van Europa, maar of dat zo blijft hangt wel af van de vraag, of de 7000 monumenten in hun stedebouwkundige structuur en schaal overeind blijven.

Zouden deze zaken bij elkaar geteld niet zwaarder wegen dan de weerstanden tegen het weer opendraaien van de subsidiekraan, gecombineerd met een drastische reorganisatie van de ambtelijke begeleiding die de op dit punt zo welverdiende gemeentelijke autonomie recht doet?

Geurt Brinkgreve

(Uit: De Lamp van Diogenes 54, maart 1979)

Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.