Brouwersgracht 70 rechtgezet

Op 24 mei 1971 kwam in veiling 'het grachtenhuis, omvattende beletage, drie afzonderlijk verhuurde bovenwoningen en erve aan de Brouwersgracht 70, kad. sectie M, nr. 3663, groot 1 are 54 eentiare'. In de veilingcondities stonden verder twee veelbetekende zinnen: "De verkopers nemen generlei aansprakelijkheid op zich ten aanzien van veranderingen en verbeteringen die aan het perceel moeten gebeuren naar het oordeel van het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht te Amsterdam" en voorts "Bestaande gemeenschappen moeten gehandhaafd blijven". Wat de eerste zin betekende was vrij duidelijk, wat die 'gemeenschappen' inhielden zou pas later blijken.

Brouwersgracht 70 in de stutten
Brouwersgracht 70 in de stutten

Veel animo voor het zichtbaar bouwvallige huis was er niet. De tijd van de luxe-flats in verbouwde pakhuizen aan de Brouwersgracht moest nog komen. Brouwersgracht 70 haalde bij opbod f 11.000, bij afslag kwam er nog f 3000 bij; veiling- en notariskosten meegerekend betaalde de Stichting Diogenes f 14.786,74 om eigenares te worden.

Stutten en inpakken

Weldra ontving Diogenes de te verwachten aanschrijving: binnen twee dagen na ontvangst moest het pand worden ingepakt en gestut wegens bouwvalligheid van de voorgevel en de linker bouwmuur, onmiddellijk na deze veiligheidsmaatregelen diende de eigenares verder te gaan met het aanbrengen van verstijvingsportalen, het herstellen, zo nodig vernieuwen van het metsel-, voeg- en pleisterwerk, de verankering van de kozijnen en de ramen van de gevels, de dakbedekkingen enz. enz.

Zo vlug als Bouwtoezicht wilde ging het natuurlijk niet, want er waren vijf huurders, onder wie een bedrijf in het souterrain, en voor het aanbrengen van een verstijvingsportaal moet een huis nu eenmaal ontruimd zijn. Het stutten en inpakken was al een karwei dat meer kostte dan de aankoop. Het huis was aan de voorzijde geknikt, de onderste helft stond scheef naar rechts, de bovenste helft zakte verder naar links, de linker muurdam was losgescheurd en gekanteld en de bouwmuren hadden dicht bij de voorgevel zware scheuren. De kroonlijst was ten opzichte van haar juiste plaats boven de voorgevelrooilijn ongeveer 30 cm naar links verschoven. De tijdelijke voorzieningen om het niet denkbeeldige gevaar van instorting te voorkomen bestonden uit drie onderdelen.

Schuin van linksonder naar rechts boven werden in alle verdiepingskozijnen stevige schoren vastgezet; daar door kreeg de gevel meer stijfheid tegen het z.g. schranken. Om het verder losscheuren van de gevel of delen van de gevel te voorkomen moest het 'inpakken' dienen: standhout van onder tot boven op alle vier muurdammen, onderling verbonden door vijf dwarshouten ter hoogte van de balklagen, het geheel door middel van trekstangen van binnen verankerd aan de balklagen. Het zwaarste onder deel werd gevormd door de stutten: vier rijen van drie palen achter elkaar op een betonnen vloerplaat, de voorste reikend tot de vierde balklaag, de middelste tot de derde, de achterste tot de tweede. Zo heeft het stut- en stempelwerk de gescheurde muren op hun plaats gehouden, totdat in de herfst van 1978 de restauratie eindelijk kon beginnen, naar het ontwerp van architect H. Schröder.

Een laat-18de-eeuws pand?


De twee 'kopstukken' van Diogenes: G. Brinkgreve en C. Voet.
De twee 'kopstukken' van Diogenes: G. Brinkgreve en C. Voet.

Zo op het oog ging het om een laat-18de-eeuws pand. Boven een met natuurstenen platen beklede pui met een haaks op de straat staande houten trap verrijst een vier verdiepingen hoge gevel, in zorgvuldig uitgevoerd metselwerk, bekroond door een fraai geornamenteerde kroonlijst, bestaande uit gebeeldhouwde consoles links en rechts en triglyfen boven de middelste penanten, waartussen kleine raampjes de illusie geven van een vijfde laag. De kroonlijst sluit een ondiepe dwarskap af, waarvan de nok ruim een meter uitsteekt boven de nok van de langskap die het huis achterwaarts bedekt. De twee door een dunne middenstijl gescheiden deuren doen vermoeden dat het huis omstreeks de laatste eeuw wisseling een grondige interne verbouwing heeft ondergaan. Het interieur van de benedenwoning dateert ook uit die tijd. Het heeft de toen gebruikelijke indeling van een gang die naar de keuken in het achterhuis leidt, naast twee kamers en suite, gescheiden door dubbele schuifdeuren. Geornamenteerde stucplafonds en schoorsteenmantels, de granitovloer in de overkapte binnenplaats, profileringen en betimmeringen, alles komt overeen met de inrichting van een verzorgde middenstandswoning in de 19de-eeuwse wijken.

Het huis is echter twee en een halve eeuw ouder. In het Grachtenboek staat het afgebeeld als een pand met een verdieping, een zolder en een vliering, waarbij de volgende toelichting wordt gegeven: "Dit woonhuis met een trapgevel is 5.58 breed. Een pui, waar voor een lage brede stoep, met een middentoegang voor het benedenhuis en voor de bovenwoning. Omstreeks 1630 gebouwd, wellicht voor Gerrit Gerritsz Koek en genaamd De Cleermandt. Het was vaak in bezit van en werd bewoond door een bierbeschooier, o.a. in 1638 door jan Claasz de Dood en in 1742 Rijk Rijke. Thans een woonhuis met vier verdiepingen, gemaakt omstreeks 1790 voor R. Santink, voorzien van een rechte kroonlijst met twee consoles en drie frieslichten. Een stoep loodrecht op de gevel met twee toegangen."

Van het oudste huis is meer over dan men van buiten kan zien. Dat blijkt in het souterrain, waar vreemde nissen of raamgaten in de zware muur zitten. De eerste balklaag is ook oud, maar ernstig aangetast. De tweede balklaag, verborgen onder het stucplafond van de benedenwoning, zal ook nog wel de oorspronkelijke zijn. In de derde balklaag, boven de eerste verdieping, is pas goed waar te nemen wat er tijdens de verbouwing van 1790 gebeurde. Het gebouw had toen nog een gedeeltelijk houtskelet. Op vrij ruime afstand stonden jukken, bestaande uit stijlen half in de muur, korbeels en balken van stevig formaat, die het huis zijn stijfheid gaven. Tussen de jukken lagen dunnere balken op sleutelstukjes. Met elkaar een zuinige balklaag die niet meer hoefde te doen dan de zoldervloer dragen. De eigenaar wilde echter niet één, maar drie bovenwoningen hebben, en dan zonder ouderwetse muurstijlen en korbeels. Die onderdelen werden weggesloopt - de plekken waar zij hebben gezeten zijn duidelijk zichtbaar -, men verzwaarde de balklaag op een nogal slordige manier en werkte dat alles weg achter een stucplafond. In plaats van de kap werden de bouwmuren een meter of vijf hoger opgetrokken en het geheel werd afgedekt door de lichtgebouwde constructie van langs- en dwarskap. Vanaf de straat was het een deftig hoog huis geworden onder de geheeldhouwde kroonlijst, maar constructief bleek de zaak niet sterk.

Derde balklaag het zwakke punt

Het zwakke punt was de mishandelde derde balklaag. Daar is het gebouw dat nu met een veel zwaardere last op zijn oude muren en fundering drukte, gaan doorknikken. De in 1790 gelegde vierde en vijfde balklagen verkeren in goede staat, maar de muren zijn slecht. Op de goedkoopste manier zijn tijdens en na de verbouwing van 1790 rookkanalen en standleidingen aangebracht. Tussen vóór- en achterhuis werd een verbinding geknutseld, waarin de keukens van de bovenwoningen een plaats kregen, bewoners hebben gaten gehakt en weer weggetimmerd, het heeft gelekt en gerot, zonder dat iemand in de gaten had, hoe bouwvallig het grote gebouw eigenlijk was.

Onaangename verrassing

Het herstel begon, zoals voor de hand ligt, met de fundering. Dat de palen uit 1630 het gebouw niet meer konden dragen was duidelijk. Bij het wegslopen van de betonvloer die de laatste huurder - een glashandel - daar had gelegd, kwam een onaangename verrassing tevoorschijn. Behalve enkele waterputten bleek er een half vergaan gemetseld riool in de grond te zitten, waarop niet alleen Brouwersgracht 70, maar ook het om de hoek gelegen pand Herenmarkt 20 loosde. Blijkbaar zijn beide percelen op een bepaald moment in één eigendom geweest. Toen moet de gemeenschappelijke lozing zijn aangelegd. Bij een latere boedelscheiding zijn het achterhuis en een stuk van de binnenplaats van Herenmarkt 20 bij Brouwersgracht 70 getrokken, zodat dit perceef een onregelmatige L-vormige plattegrond kreeg. Toen Diogenes de eigenaar van Herenmarkt 20 verzocht om volgens de voorschriften van de Bouwverordening te zorgen voor een lozing van zijn pand op het gemeenteriool in de Herenmarkt, produceerde deze een contract uit 1895, waarin staat "Dat de bestaande gemeenschappelijke beerkuil ... gemeenschappelijk eigendom blijft van de eigenaren dier percelen, terwijl de ruiming des kuils steeds voor hunne gemeenschappelijke rekening moet geschieden en de stoffen door - of over het perceel kadaster sectie M nummer 3608 moeten worden verwijderd".

Dat is dus een civielrechtelijke overeenkomst die in strijd is met een gemeentelijk voorschrift, een interessant juridisch probleempje dat hopelijk zal zijn uitgeplozen tegen de tijd dat de definitieve riolering moet worden aangelegd. Om overstromingen te voorkomen is een tijdelijke afvoerleiding gelegd. De vieze troep uit het oude riool kon worden weggeruimd, een nieuwe betonvloer op betonpalen draagt nu Brouwersgracht 70.

Wat te vervangen en wat te slopen?

Het vergt veel overleg om een goed werkprogramma op te stellen voor een bouwvallig gebouw. Wat niet kan worden gerepareerd moet worden vervangen, maar de opgave is juist om zoveel mogelijk van het oude werk te behouden en op zijn plaats te laten. Wegslopen van vergane onderdelen moet met beleid gebeuren om wat blijft staan niet in gevaar te brengen. Soms zijn elementen die men liever zou sparen, niet te handhaven, omdat hun samenstelling niet deugdelijk is. In de vorige eeuw werden stucplafonds en pleisterwerk van binnenwanden aangebracht op dun latwerk over rietmatten; dat ging vlot en het zag er netjes uit, maar brandgevaarlijk is dit z.g. Brabants werk in hoge mate. De gang van de benedenwoning moest daarom geheel worden schoongesloopt om het hout en riet te kunnen vervangen door steengaas. De afwerking zal later zo veel mogelijk de vroegere toestand benaderen. Bij het ontmantelen van de benedenwoning bleek dat de puibalk waarop de achtergevel rust, waarschijnlijk nog daterend van de eerste bouw, zwaar verrot was. Dat was een nogal gevaarlijke toestand. Het metselwerk boven de puibalk is toen op ijzeren steunbalken opgevangen, zodat het verrotte hout kon worden vervangen door een betonbalk. Voorzichtig moeten nu de achtergevel en de hoeken van de bouwmuren worden aangewerkt, zodat zij met de betonbalk een samenhangend geheel gaan vormen.

Wanneer dat zover is komt de voorgevel aan de beurt. Ook daar moet eerst de pui worden versterkt. Bij huizen met een onveilig geworden houten pui is de gebruikelijke methode dat het gewicht van het gevel metselwerk boven de puibalk door een stutconstructie wordt overgenomen, zodat men daaronder het aangetaste hout kan verwijderen en vervangen door een in beton ingestort stalen portaal, waarover de betimmering wordt aangebracht. In Brouwersgracht 70 gaat dat onmogelijk, omdat de twaalf stutten in de weg staan. De pui is bovendien met natuurstenen platen bekleed; zou men die verwijderen, dan blijft er van de gevel niets meer over. De versterking zal nu worden bereikt door van binnen een betonportaal tegen de pui aan te brengen. Zodra het onderste deel weer stevig genoeg is kan het metselwerk van de voorgevel worden aangepakt. Helaas is dat zo gescheurd en verzakt dat de gevel voorzichtig moet worden gesloopt en met dezelfde stenen weer opgetrokken.

Wat te doen met de kroonlijst?

Maar wat moet er intussen met de kroonlijst gebeuren die dan vijftien meter hoog in de lucht komt te hangen? De gevel zal weer recht boven de eigen rooilijn komen te staan. De beide bouwmuren die ongeveer een meter achter de gevel zijn losgescheurd, zijn naar links gezakt. Door het voorste deel van de bouwmuren dat samen met de gevel weer zal worden opgemetseld, een lichte knik te geven, kan die verzakking zo worden opgevangen dat zij nauwelijks meer zichtbaar zal zijn. Dan zou de kroonlijst rechts 30 cm te kort zijn en links 30 cm uitsteken, en dat mag niet. Verschillende mogelijkheden werden overwogen. Men zou de kroonlijst kunnen losmaken van de constructie van de dwarskap en of met een kraan naar beneden halen, of naar rechts verschuiven en de dwarskap aan de linkerzijde inkorten. In het eerste geval werd het gevaar van beschadiging te groot geacht, in het tweede geval zou de dwarskap aan de rechterzijde niet meer bij de kroonlijst aansluiten.

Ingenieuze oplossing

De oplossing werd ten slotte gevonden door de hoofdopzichter C. Voet. Hij had geconstateerd dat de dwarskap maar op drie punten met pen-en-gat verbindingen vastzat aan de langskap. Zou men die drie verbindingen los maken en de rechtermuur ruim een meter verlagen, dan kon de dwarskap - mits goed onderstut en losgemaakt van de gevel - in haar geheel met kroonlijst en al naar rechts verschoven worden. Bij het weer opmetselen van de gevel en de aangrenzende stukken van de bouwmuren kon men dan precies op de juiste plaats van de dwarskap gaan werken. De verschuiving zou alleen zichtbaar zijn vanuit de lucht, omdat de nok van de langskap dan niet meer in het midden van de dwarskap uitkomt, maar, zo werd in een bouwvergadering ernstig vastgesteld, 'van de meeuwen werd geen protest verwacht'. Zo is het nu gebeurd.

De dwarskap werd stevig onderstut op slagjukken vanaf de vierde balklaag, zodat zij nergens meer op de muren rust. Trekstangen en schoren zorgen ervoor, dat er geen beweging meer in het stutwerk zit. De bovenste lagen steen van de voorgevel zijn onder de kroonlijst weggehaald en van de kruimelige rechterzijmuur is een paar meter afgesloopt. Tussen het hout van de dwarskap en dat van de stutconstructie werden ingevette hechthout-plankjes geschoven, en schuin gestelde vijzels geplaatst. Toen dat alles klaar was konden de pen- en gat-verbindingen tussen de langskap en de dwarskap worden losgezaagd. De voorbereidingen waren zo zorgvuldig uitgevoerd dat de verplaatsing zelf, ondanks de gierende sneeuwstorm, snel en zonder moeite verliep. Achteraf lijkt het heel eenvoudig, maar wie nooit een restauratiewerk van het begin tot het eind heeft meegemaakt kan zich niet voorstellen, hoeveel van dergelijke technische problemen daarbij aan de orde komen en hoeveel kunde en vakmanschap er nodig is om deze op te lossen, zonder dat er ongelukken gebeuren.

Geurt Brinkgreve

(Uit: De Lamp van Diogenes 54, maart 1979)

Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.