De nieuwe bebouwing sluit op een vanzelfsprekende manier aan bij wat er van de vooroorlogse huizen aan de Zandstraat en de Nieuwe Hoogstraat zichtbaar is. Draait men zich om, dan staat, tussen moderne zijgevels, achter de herbouwde Zuiderkerkhofspoort de statige gevel van het huis de Pinto. Er zijn weinig plekken in de binnenstad, waar men zó sterk en zó hoopgevend het gevoel krijgt: het kán blijkbaar, het is toch mogelijk om historische en hedendaagse elementen zó met elkaar te vervlechten dat het oude beter tot zijn recht komt dan voorheen, en dat het nieuwe er een waarde aan toevoegt. Waar ligt het aan, en waarom lukt het op zoveel andere plaatsen niet?
De nieuwe kwaliteit van het Zuiderkerkhof is vooral van stedebouwkundige aard. Vóór de verwoestingen in de bezettingstijd en de slopingen ten behoeve van het 'wederopbouwplan-1953' en van de metroaanleg, was het een dichtgebouwd rommeltje. Wat ervoor in de plaats kwam, is een zorgvuldig gevormde, besloten stadsruimte, men zou haast zeggen: een stedelijke huiskamer, waar de voorbijganger voor zijn genoegen op een bank gaat zitten om rond te kijken. Loopt hij even door het Pentagon, dan valt dat huiselijke gevoel weg; de wandelaar ziet zich omsloten, zelfs ingesloten, door de hoge glazige wanden van een massaal woongebouw. Weer op straat gekomen ervaart hij geen samenklank, maar tweeslachtigheid tussen oud en nieuw. Het laatste grote gat van de metroslopingen, aan de noordoostkant van de Sint Antoniesbreestraat, wordt nu dichtgebouwd; wanneer de steigers zullen zijn verdwenen heeft de straat haar vooroorlogse tracé vrijwel terug. Hoe belangrijk dat is ziet men op de Sint Antoniessluis: naar het oosten de volgens het plan-1953 verbrede Jodenbreestraat, een vormloze leegte geflankeerd door het Maupoleum, westwaarts de heroverde binnenstadstraat, die het beloop van de vroeger zeedijk vasthoudt en met een lichte bocht op de Waag toeloopt. Een stukje middeleeuwse geschiedenis blijft voelbaar van toen de Waag nog stadspoort was.
Er is weinig fantasie nodig om zich voor te stellen, hoe het zou zijn geworden, wanneer de in 1953 ontworpen doorbraak tot bij het Scheepvaarthuis was uitgevoerd, ter weerszij omzoomd door kantoorgebouwen in de maten van het Maupoleum of de blokken van de Weesperstraat. Dankbaarheid voor wat gewonnen werd, maakt bij het nader bekijken van de nieuwe gevelwanden plaats voor bevreemding. Het spreekt vanzelf dat blokken woningwetwoningen met bedrijfsruimten gelijkvloers, niet dezelfde vertikale geleding en variëteit kunnen tonen als de verdwenen individuele huizen met hun gevelbreedte van zes meter of minder. Toevallig zijn in de westelijke wand van de Sint Antoniesbreestraat twee huizen van vóór de sloping blijven staan: geen topmonumenten, herbouwen uit de jaren dertig met herplaatste bekroningen, maar toch, een weldadig aandoend Amsterdams accent in een gevelwand die net zo goed in Eindhoven, Drachten of waar dan ook had kunnen staan. De nieuwe bebouwing is te hoog in verhouding tot de oude straatbreedte, vooral bij de jongste blokken. Daar kan de architect weinig aan doen. Om binnen het toegestane budget te blijven worden zoveel mogelijk wooneenheden van de voorgeschreven maten op het beschikbare grondoppervlak gepropt. Gaat het niet horizontaal, dan maar naar boven. De wens van de opdrachtgevers is begrijpelijk, maar de hoogtegrens zou bij het verlenen van bouwvergunningen strakker gehandhaafd moeten worden. Het is trouwens de vraag, of die 'drang naar boven' alléén uit de noodzaak van investering en rendement voortkomt. Zou de begeerte om boven de buren uit te steken niet meespelen?
Bij nieuwe bebouwing in de oude stad krijgt de wandelaar vaak het onplezierige gevoel een zwijgend gesprek te voeren met architect X of Y, die zijn best doet de aandacht te trekken met opvallende kleuren en vormen. Daar kan natuurlijk het bekende verhaal bij worden verteld over de eigentijdse creativiteit die zich moet kunnen uiten in een historische omgeving, over het voortdurende veranderingsproces dat de stad haar levendigheid en attractie geeft, of over het moderne accent dat aan de behoeften-van-nu beantwoordt. Dat is allemaal tot op zekere hoogte wáár, maar daar gaat het niet om. Waar het wèl om gaat is de vraag, of opdrachtgevers, ontwerpers en toezichthouders, ieder voór zich en samen, doordrongen zijn van de waarden die de binnenstad in haar totaliteit bevat, en van hun verantwoordelijkheid om deze waarden in stand de houden. Ook dat klinkt als een vage algemeenheid. Om het concreter te stellen: de met graffiti volgekladderde muren, de vervuiling op straat en de reclamewildgroei in de zone Nieuwendijk-Kalverstraat geven precies aan, waar het ontbreken van dat verantwoordelijkheidsgevoel toe leidt. Dat is de helaas niet zeldzame mentaliteit: dat gezeur over historische waarden zal me allemaal een zorg zijn, ik doe waar ik zin in heb, wat me het meeste opbrengt of het gemakkelijkst uitkomt. Met die uitingen van onverschilligheid jegens wat ons dierbaar is in de oude stad is geen redelijk overleg meer mogelijk; hoogstens kunnen wij erop aandringen dat de grenzen van de tolerantie wat duidelijker zullen worden getrokken, zodat tijdelijke ontsieringen verminderen.
Bij bouwen in de bestaande stad - waarvoor eerst moet worden gesloopt - gaat het echter niet om tijdelijke veranderingen die eventueel ongedaan gemaakt kunnen worden. Een gebouw staat er, voor minstens 50 jaar. Wie met bouwen in de oude stad te maken heeft zal nooit zeggen dat de omgeving hem niet kan schelen: dat klinkt slecht. Wijzigingen die het stadsbeeld aantasten worden of verdedigd met de hiervoor genoemde teksten over moderne creativiteit, of met een beroep op economische noodzaak. Dat laatste kan tot vreemde compromissen leiden. Voor het hotel dat als gangmaker moet fungeren voor de sanering van de Zeedijk, worden de oude panden aan de Prins Hendrikkade gerestaureerd. Zelfs het beroemde Hendrick de Keyserhuis Zeedijk 1, uit omstreeks 1560, wordt in het restauratieplan opgenomen. Vanaf de overkant van het water ziet men echter een kolossaal blok boven de daken uitrijzen. De herstelde panden krijgen daardoor een soort van Madurodam-effect.
In dezelfde richting gaat het hoekcomplex Bakkersstraat-Rembrandtsplein-Amstelstraat.
Verbreding van het smalle Bakkersstraatje maakte deel uit van het vooroorlogse plan tot verbreding van de Utrechtsestraat. Toen de bebouwing aan de westzijde van de Bakkersstraat al weg was ten behoeve van het Caransa Hotel en de oostzijde bestond uit een rij gestutte bouwvallen, keerde de wind: de slopingen werden gestaakt. Ook 'Het Gouden Hoofd' op de hoek stond leeg en bouwvallig te wachten. Een jaar of twintig geleden, toen de 1850-grens voor te beschermen monumenten nog zwaar telde, zou dit gebouw van architect Brombach uit 1890 zonder aarzeling zijn gesloopt. Dat is feitelijk ook nu gebeurd, maar daarna is het herbouwd, evenals de 18de-eeuwse huisjes aan de Bakkersstraat, als een 'aangekleed' betonskelet, aansluitend bij het ook uiterlijk nieuwe kantoorgebouw dat tot in de Amstelstraat doorloopt. Alweer: een compromis. Voor rechtzinnige monumentenzorgers is deze herbouw even verwerpelijk als voor rechtzinnige functionalisten: schortjesarchitectuur, historiserende jasjes om een nieuw gebouw. Wat de stedelijke structuur betreft is een belangrijke winst bereikt, beter gezegd, is een groot onheil voorkomen.
De doorbraak zou namelijk een lelijk gat hebben geslagen in de gevelwand van de Amstel en ook daar tekende zich de aanstaande sloping af in onderstukken en bouwvallen. De Amstelhuizen zijn inmiddels hersteld of door redelijke nieuwbouw vervangen, en de kruimelige 1890-architectuur met het hoektorentje vormt toch een verdienstelijke verbinding tussen de kleine gevels van de Bakkersstraat en het moderne kantoorgebouw dat twee hoeken markeert. Het Rembrandtsplein is er, alle principiële overwegingen ten spijt, toch op vooruitgegaan.
Kan hetzelfde worden gezegd over het net voltooide gebouw van de Optiebeurs aan het Rokin? Ook daar heeft de architect de hoek een torenvorm gegeven, maar vergeleken met 'Het Gouden Hoofd' is het resultaat grof en pretentieus, wat ook geldt voor de zonderlinge gevelbekleding van het gehele gebouw. Economische noodzaak kan hierbij niet als argument worden aangevoerd. Wat de voorbijganger ervaart is alleen de meergenoemde wil om op te vallen. Links van de Optiebeurs gaapt wederom een groot gat. Wat gaat dáár nu weer komen? Het uit 1916 daterende bankgebouw dat onlangs werd gesloopt was geen architectonisch hoogtepunt, maar het voegde zich, ietwat somber en statig, vrij goed in de gevelwand. Rechts is de oude parcellering nog aanwezig met enkele echte monumenten. De ontmoeting tussen de eind-twintigste-eeuwse invullingen en het historische stadsbeeld lijkt hier op de ontmoeting tussen de kat en de muizen: er wordt wat met de prooi gespeeld en daarna wordt deze opgegeten.
In het programma van de manifestaties 'Amsterdam Culturele Hoofdstad van Europa-1987' bleek opvallend weinig aandacht voor het belangrijkste wat Amsterdam te tonen heeft: de oude stad zelf. Wat er in die richting gebeurde kwam uit de particuliere hoek, zonder subsidie. Dat was een kleine, goed doordachte tentoonstelling in de hal van het Muziektheater en het tweetalige boek Levend Amsterdam - hoe een stad met haar monumenten omgaat’
Wat wél werd gesubsidieerd en met veel tamtam gepresenteerd was 'Century 87 Kunst van nu ontmoet Amsterdams verleden'. Op dertig plekken - locaties heet dat - waren zonderlinge zaken te zien. Op de hardstenen zerken vloer van de Oude Kerk stond een rij koperen schaaltjes, in de koepel van de Waag hingen paarsglazen platen aan kabels, de paden van de Hortus waren met helblauwe steentjes bestrooid, de wanden van de centrale hal in het hoofdpostkantoor waren behangen met ritselende video- of filmbanden, in de anders ontoegankelijke kelder onder de Toensluis brandde een rij kaarsen, en ga zo maar door. De 'locaties' waren belangrijk genoeg - onder meer het Paleis op de Dam, de Munt- en de Westertoren, Ons' Lieve Heer op Solder, de Academie voor Bouwkunst, de schuttersgalerij van het Historisch Museum en het Begijnhof. Een fraai uitgegeven boekje bevatte quasi-diepzinnige teksten over de makers en hun bedoelingen. Over de gebouwen die als achtergrond moesten dienen voor modieuze grappen, ontbrak elke informatie. De vraag, of dergelijke zaken als 'kunst van nu' of zelfs als 'kunst' kunnen gelden even in het midden latend, moet wel worden geconstateerd dat uit de opzet een volslagen gebrek aan belangstelling spreekt voor de historische gebouwen, die weliswaar uit Amsterdams verleden dateren, maar in hoge mate het gezicht - het echte gezicht, niet dat van de verloedering! - van het Amsterdam-van-nu uitmaken.
De ontmoeting tussen oud en nieuw is de grote ervaring die iedereen in de binnenstad elke dag opnieuw kan beleven. Dat veronderstelt een open oog voor wat het verleden ons naliet, en een hoge kwaliteit van wat er aan nieuwe elementen wordt ingevoegd. Bij 'Century 87' ontbrak zowel het een als het ander. Het beste wat ervan kan worden gezegd is dat het van voorbijgaande aard was.
Geurt Brinkgreve
(Uit: De Lamp van Diogenes 106, november 1987)
Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.
Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.
Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.