Het eerste is gelukt. De stichting die uit genoemde bijeenkomst voortkwam, heeft de Vondelkerk in 1984 gekocht en gaf in mei 1985 opdracht tot de restauratie, volgens ontwerp van ir. A.J. van Stigt, uitgevoerd door het Aannemingsbedrijf J. Kneppers te Amsterdam.
Van augustus 1986 af gaat de kerk functioneren als cultureel centrum. De centrale ruimte van het gebouw krijgt een meervoudige bestemming: tentoonstellingsruimte, congresruimte, concertzaal enz. Van deze ruimte zullen ook de vaste huurders - de Stichting Openbaar Kunstbezit en de Theatergroep Kaktus - gebruik maken; zij zullen kantoor gaan houden respectievelijk in het schip en in het koor. In de uitgegraven kelder komen een antiquariaat en de winkel van Openbaar Kunstbezit. Het gebouw is zowel technisch als economisch gezond.
Maar het tweede uitgangspunt, wat is daarvan terechtgekomen? We mogen niet klagen. Het is fantastisch dat ons ‘juweeltje' niet uit zijn zetting is verdwenen, dat Cuypers' Vondelstraat zich thans niet verwijdt om een plantsoentje, of een parkeerterrein of luxe appartementen (‘Vondelstaete', 'Vondelhove', 'Résidence Vondel' ongetwijfeld). De massa van de kerk, zo belangrijk in het stadsbeeld, is nagenoeg intact gebleven. Sommige mensen zien niet eens dat er meer ramen zijn dan vroeger, anderen vinden zelfs dat het gebouw er daardoor aangenamer, vriendelijker, luchtiger uitziet. Maar kenners pinken een traantje weg.
Cuypers' grondplan is een combinatie van axiaal- en centraalbouw. Dat is een combinatie van de gebruikelijke gotische plattegrond (in de vorm van een langgerekt kruis) en een plattegrond die is georiënteerd op een centraal punt, zoals veel barokke kerken met een cirkelvormige plattegrond of in de vorm van een Grieks kruis. Deze combinatie, die een plattegrond langs golvende lijnen oplevert, maakt het relatief kleine kerkgebouw zo bijzonder: van buiten vrij compact en visueel gemakkelijk te 'vatten', van binnen zowel een intieme als een grandioze ruimte. Dat laatste aspect blijft gespaard in de opzet, de centrale ruimte (mét de half cirkelvormige transepten) te scheiden van schip en koor.
Thans wordt echter de axiale werking grotendeels teniet gedaan doordat het korte schip en het diepe koor van de ‘centrale' octogonale ruimte worden gescheiden door binnenpuien. Daarachter, dus in het schip en het koor, zijn door middel van betonnen vloeren en kleine puien verschillende 'units' tot stand gebracht. Dat klinkt afschuwelijk, maar wie ter plaatse kijkt moet constateren dat het interieur nog steeds imponeert. De 'centrale' zaal met de aangrenzende kapellen en nissen kon gelukkig ongeschonden blijven en de binnenpuien zijn op uiterst terughoudende wijze vervaardigd, met een minimum aan materiaal (staal en glas), zodat de continuïteit van Cuypers' schepping, van vorm en kleur, zeer goed waarneembaar blijft. Na rijp beraad is, wat de kleur van de puien betreft, niet gekozen voor het (verleidelijke) contrast-model, maar voor het harmonie-model: grijs, met wat Engels rood gemengd. André van Stigt heeft de discipline kunnen opbrengen, zich geheel in dienst van het monument te stellen, zonder echter Cuypers na te apen.
Verrassende effecten, zo smakelijk beschreven door Egben Hoogenberk tijdens het symposium 'Beheer en behoud van 19de-eeuwse kerken' (St. Nicolaaskerk, oktober 1985), zijn ook in de Vondelkerk niet uitgebleven. Openbaar Kunstbezit kan inderdaad het kopje koffie kwijt op de kapitelen van de pijlers en beschikt over een vergaderzaal met schitterende gebrandschilderde ramen van de plint tot aan de gewelven en levensgrote mozaïekfiguren aan de wanden. Pas onlangs bleek dat het gebrandschilderde glas, uitstekend gerestaureerd door de firma Bogtman in Haarlem, zich spiegelt in de binnenpuien. Van een introvert godshuis is de Vondel een op profaan-menselijk gebruik afgestemd gebouw geworden, dat een prachtig uitzicht biedt op de Vondelstraat en het Vondelpark en bovendien is voorzien van een redelijke hoeveelheid 20ste-eeuws comfort. Niettemin stijgt ons het schaamrood naar de kaken, als we de bovenste stukken van ruim zeven meter hoge pijlers als onnozele paddestelen of bijzettafeltjes boven een nieuwe vloer zien uitpiepen. Een betonvloer die net het bovenste - gemetselde - puntje van een spitsboog oversnijdt is ook niet fraai. En wie ooit Cuypers' consequente kleurgebruik heeft ervaren, de 'omsluitende' werking daarvan, zal de witte spaarvelden in de nissen rondom de centrale ruimte, vroeger voorzien van geschilderde weefselpatronen in donkere tinten, als storend ondervinden. Vanwaar nu al deze concessies en koerscorrecties?
Om te beginnen was er ten tijde van de aankoop nog minder van het autonome kunstwerk over dan in 1980. De eigenaars en korstondig en langdurig tijdelijke gebruikers hadden ervoor gezorgd - actief en passief - dat niet alleen de gehele inventaris verloren ging, maar ook een groot aantal 'vaste' onderdelen van het monument: kapitelen, wanddecoraties, veel gebrandschilderde ramen. Verder was men druk in de weer geweest met verfkwasten en spuitbussen. Hier bleek andermaal, hoe weinig de Monumentenwet in moeilijke gevallen voorstelt. De Stichting Vondelkerk ondernam verwoede pogingen de eigenaar van de kerk te doen vervolgen op grond van de artikelen 14 en 15 juncto artikel 28 van de Monumentenwet, maar de betrokken overheidinstanties noch de officier van justitie vertoonden neiging die wet behalve als een bestuurlijk ook als een juridisch instrument te beschouwen. Het maatschappelijke nut van strafrechtelijke vervolging werd betwijfeld; alsof in niet-vervolgen enig maatschappelijk nut gelegen zou zijn.
Vervolgens bleek al in een vroeg stadium dat de verschillende overheden - en met name de gemeente Amsterdam - er niets voor voelden geld te steken in een 'leeg gebouw', een monument zonder bestemming dan wel drijvend op structurele bijdragen van de overheid. Jarenlang probeerde de Stichting Vondelkerk tevergeefs een functie voor de kerk te vinden die met de oorspronkelijke overeenkwam qua gebruik van het gebouw. Religieuze groeperingen beschikten niet over genoeg geld, instellingen als de Rijksgebouwendienst lieten het afweten en (sociaal-)culturele gezelschappen konden zich de Vondel alleen permitteren als ze extra subsidie kregen. En dat was precies wat Amsterdam niet wilde: dubbel opdraaien voor het behoud van een monument. De voorwaarden waren duidelijk. De Stichting Vondelkerk diende een zodanig restauratie- en inbouwplan te ontwikkelen (inderdaad, alseen projectontwikkelaar tegen wil en dank), dat een sluitende exploitatiebegroting mogelijk was, mét alle huurovereenkomsten, getekend door kredietwaardige huurders, dat wil zeggen huurders die geen subsidie van de gemeente Amsterdam ontvingen. Dat alles bleek slechts haalbaar met extra rendabele vierkante meters vloeroppervlak, te creëren door het hele gebouw te onderkelderen en door vloeren aan te brengen in het schip en in het koor, op circa 2,50 m en 7 m hoogte. Een onvermijdelijke consequentie van die vloeren, die de lichttoetreding via de hoge vensters blokkeren, waren extra ramen in de borstwering van de kerk. De arbeidsinspectie zou anders ook niet toestaan dat beneden zou worden gewerkt.
Van het eerste begin tot heden hebben de werkzaamheden zich voltrokken onder hevige druk van de factoren tijd, geld en overheidsvoorschriften. De overeenkomst met Openbaar Kunstbezit bevatte de ontbindende voorwaarde dat de oplevering uiterlijk op 1 september 1986 zou plaatsvinden. De krakers vertrokken pas na een kort geding, het opruimen van hun rommel en het uitgraven van de kelder duurden veel langer dan was voorzien en tot overmaat van ramp was de winter lang en streng. Worden de zenuwen van opdrachtgeefster, architect en aannemer al zwaar op de proef gesteld door de voortdurende haast, het krappe, zeg maar rustig ondermaatse budget doet er nog eens een schepje bovenop. Ruim 3 miljoen gulden (ongeveer 1,6 miljoen restauratiesubsidie, aangevuld met giften van particulieren, enkele bedrijven en onder meer het Prins Bernhard Fonds, alsmede een maximale lening - met gemeentegarantie - bij een sluitende exploitatiebegroting) lijkt veel, maar is voor een volledige restauratie, met inbegrip van aanvullend draagvermogen en alle onderdelen, zoals het torenuurwerk en het hek, plus de inrichting tot een gebouw dat aan hedendaagse eisen voldoet, niet toereikend. Als zich onvoorziene calamiteiten voordoen, moet op iets anders worden bezuinigd, hetgeen het algehele niveau van de ingreep niet ten goede komt. Gelukkig is het subsidie tot heden vlot toegekend en grotendeels uitbetaald. Hopelijk blijft dat zo.
Een hoofdstuk apart vormen de gemeentelijke regels en voorschriften. Een jaar of tien keek geen mens naar de Vondelkerk om, maar zodra wij met de bouw waren begonnen, viel het hele gemeentelijke apparaat over ons heen en werd een ontzagwekkend pakket voorschriften op ons losgelaten, die niet alleen duur bleken te zijn, maar ook niet zelden in strijd met elkaar en met de eisen die een topmonument stelt. Zo verlangde de Brandweer binnenpuien, waar wij ze absoluut niet nodig hadden, moesten op in het oog lopende plaatsen brandslanghaspels in kanjers van kasten komen en dienden sparingen in gewapend betonnen dammen te worden gemaakt, waar de constructeur en het Gemeente-energiebedrijf ze juist niet wilden hebben. Het had niet veel gescheeld, of de buitenkant van de kerk was opgesierd met brandtrappen. Natuurlijk is het goed dat er voorschriften zijn en ambtenaren om op de naleving daarvan toe te zien. Die ambtenaren hadden geen boodschap aan het delicate en idealistische karakter van de onderneming, zagen in ons een doodgewoon bouwproject en waren ons in hun ijver bijna noodlottig.
Toen we dachten dat we alles hadden gehad en ons een echte bouwvergunnig deelachtig zou worden, bleek die te stranden op het feit dat de kerk niet voldoende was berekend op gehandicapten. Klaarblijkelijk waren de gedachten van Cuypers, toen hij de Vondelkerk, met al die niveauverschillen en trapjes, ontwierp, niet uitgegaan naar de invalide medemens. Een brief dienaangaande was ooit door het Amsterdamse Gehandicaptencontact in de bus gegooid bij de kerk, die toen echter nog gekraakt was. Ons voorstel om door middel van semi-permanente voorzieningen tot een optimale toegankelijkheid te komen werd niet geaccepteerd; het moest volgens de regels. Dat betekende in ons geval: een fikse hellingbaan, met draaicirkel, voor de hoofdingang en het samenvoegen van twee, met de grootste moeite in onaanzienlijke hoeken ondergebrachte toiletten tot één gehandicaptentoilet. Voorts leek de enige oplossing om de gehandicaptenbeleid toegang te verschaffen tot de 'zaal' het pontificaal aanbrengen in deze centrale ruimte van een liftopbouw, bestaande uit leuningen van 2,50 m lang en 1,20 m hoog en een contactgezekerde slagboom. Onze penibele financiële situatie kon niet als excuus gelden, want aangaande subsidie wilde het Provinciale Overlegorgaan Gehandicapte bemiddelen bij een aantal fondsen. Met het mes op de keel (Bouw- en Woningtoezicht weigerde tekeningen ‘zonder stempel' te keuren, zodat aanzienlijke vertraging dreigde op te treden) voegde de Stichting Vondelkerk de verlangde voorzieningen toe op de tekeningen. De kosten bedragen tienduizend guldens, maar er is nog geen cent subsidie toegezegd.
Zowel uit esthetische en technische overwegingen als vanwege het te grote financiële risico dat het aanbrengen van een dure voorziening als het gehandicaptenlift betekent, moest naar een andere oplossing gezocht worden. Een extra toegang lijkt momenteel de enige mogelijkheid.
Tegenover dergelijke rampen staan genoeg hartverwarmende ervaringen om het moreel hoog te houden. De medewerking van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam is meestal voorbeeldig geweest, de inzet van onze architect en aannemer is buitengewoon en honderden vrienden van de Vondelkerk blijven onze uit de hand gelopen actie financieel steunen, met bemoedigende teksten op de girokaart.
Hoewel wij 'ondanks alles' (zo langzamerhand onze lijfspreuk), lopend door de Vondelkerk, een licht gevoel van voldoening niet kunnen onderdrukken, blijft de evidente ontwikkeling van Heilige Hart naar Heilige Haalbaarheid enigszins knagen aan ons (kunsthistorisch) geweten. Wij begrijpen de Nederlandse monumentenzorg ook niet helemaal. Aan de ene kant is zij tot ware wonderen in staat, weet zij doden tot leven te wekken, worden letterlijk uit het niets de prachtigste monumenten te voorschijn gesubsidieerd. Aan de andere kant lijkt in veel gevallen de belangrijkste zorg de financiën te betreffen, zijn geheel in authentieke staat verkerende monumenten tot verval gedoemd, omdat er geen geld is of wordt alleen subsidie beschikbaar gesteld als het ware op voorwaarde dat het object in verregaande mate van zichzelf wordt vervreemd. Zodat het nageslacht voornamelijk kan zien, hoe het niet geweest is.
Wat de Vondelkerk betreft doet het curieuze feit zich voor dat het gebouw wel beschikt over keukentjes, douches, hollebuis-leidingen voor computers en N.O.S. aansluitingen, maar dat voor allerlei integrerende onderdelen van het monument geen middelen voorhanden zijn. Het fraaie smeedijzeren hek ligt buiten te roesten, de tuin is een chaos, de klokkestoel is gammel en de interieurdecoraties zijn hier en daar niet om aan te zien. We hebben van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam een orgel (een Adema uit 1904) gekregen dat nagenoeg overeenkomt met het oude, uit de Vondelkerk geroofde instrument (een Adema uit 1905), maar met de installatie moet worden gewacht tot betere tijden.
Mogen wij 'ondanks alles' een beroep op U doen? Giften zijn fiscaal aftrekbaar en alle begunstigers worden in de kerk vermeld.
Stichting Vondelkerk
Ieder die de fraai gerestaureerde Vondelkerk thans ziet, komt onder de indruk
van het door de Stichting Vondelkerk bereikte resultaat. Toch is haar werk nog
niet voltooid. Verlicht daarom de zorgen die de Stichting heeft over de financiële
afwikkeling, door een gift op haar postrekening 5054004.
Voor de noodzakeli jke aankleding van de centrale ruimte in de kerk zou de
stichting gaarne 'gesponsored' worden. Welk bedrijf of welke instelling is daartoe
bereid?
Nadere inlichtingen: Stichting Vondelkerk - Amstel 298B - 1017 AN Amsterdam (tel. 020-274618/020-624941}.
(Uit: De Lamp van Diogenes 100, oktober 1986)
Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.
Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.
Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.