![]() |
| 1 De binnenplaats met de fraaie gevels in de stijl van Hendrick de Keyser (foto Roos Aldershoff) |
Het oorspronkelijk in 1606 gebouwde hoofdkantoor van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC behoort tot de belangrijkste monumenten van Amsterdam en wordt tegenwoordig gebruikt door de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Het VOC-gebouw vormt thans één geheel met het eveneens als rijksmonument aangewezen Bushuis, het voormalige kantoorgebouw van de ‘Grootboeken der Nationale Schuld’, een bijzonder fraaie schepping van architect Cornelis Hendrik Peters (1847-1932) uit 1890. Het complex heeft een interessante bouwgeschiedenis die door latere ingrepen lastig te ontrafelen is.
De in 1602 opgerichte handelsonderneming – waar we tegenwoordig minder trots op zijn dan voorheen – had van de Staten-Generaal een monopolie gekregen op de overzeese handel met het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan, min of meer de halve wereld. De VOC was echter niet alleen een handelsonderneming maar ook een militaire macht: er waren soldaten aan boord en de handelsschepen waren zwaar bewapend met kanonnen. De VOC trad dus ook op als staatsmacht. De VOC was daarnaast ook een van de eerste ‘naamloze vennootschappen’ met aandeelhouders. De handelsonderneming had zes ‘Kamers’: in Amsterdam, Middelburg, Hoorn, Enkhuizen, Delft en Rotterdam. Het bestuur betond uit een gezelschap van zeventien bewindhebbers, ‘de Heren XVII’.
In april 1603 kreeg de VOC verlof een gedeelte van het stedelijke geschutmagazijn aan de Kloveniersburgwal te gebruiken: het Bushuis. Twee jaar later werd het geschutmagazijn overgebracht naar de Voetboogdoelen aan het Singel en kreeg de VOC het gehele Bushuis tot haar beschikking. Dat vormde de aanleiding voor de stichting van het Oost-Indisch Huis ter plaatse van de voormalige boomgaard van het St.-Paulusbroederklooster. Het Bushuis werd daarna door de VOC gebruikt als specerijenpakhuis.
In 1606 verrees aan een binnenplaats een gebouw met een rolornamentengevel, die sterk leek op de gevel van het Bushuis. Vanwege de zandstenen blokken en banden, de vormgeving van de ontlastingsbogen boven de vensters etc. en ook de afsluitende balustrade in de top kan het ontwerp worden toegeschreven aan stadsbeeldhouwer Hendrick de Keyser en zijn Fabrieksambt – de voorloper van Publieke Werken.
![]() |
| 2. De in 2001 gerecontrueerde Bewindhebberskamer (foto Roos Aldershoff) |
De binnenplaats zelf ontstond door een aantal uitbreidingen. Tussen 1606 en 1625 verrees aan de westzijde van de latere binnenplaats een
zijvleugel met drie raamassen dwars op de bestaande noordgevel (afb. 1). In 1633-34 werd hier een uitbreiding aangebouwd tot aan de Oude
Hoogstraat (1) en omstreeks 1660 nog een verdere uitbreiding aan de noordzijde met een gevel in dezelfde trant. Vergelijk het classicistische
poortje in deze uitbreiding met de hoofdpoort van de oudste vleugel van het Oost-Indisch Huis.
De laatste wand van de binnenplaats, aan de oostzijde, kwam pas in 1891 tot stand naar ontwerp van architect C.H. Peters: een fraai staaltje historiserende architectuur, een benadering vergelijkbaar met de achttiende-eeuwse gevel in de trant van Jacob van Campen op de Meisjesplaats van het Burgerweeshuis. De rolwerkgevel van de oudste vleugel werd toen in de zeventiende-eeuwse toestand teruggebracht. (2) Ook werden er weer kruiskozijnen aangebracht. Door deze negentiende-eeuwse restauratie van rijksbouwmeester Peters werd de binnenplaats een historische evocatie van het VOC-tijdperk. Peters zette
daarmee voort wat men in de zeventiende eeuw al tweemaal eerder had gedaan: het in dezelfde trant voortbouwen op de gevel van Hendrick de
Keyser langs de binnenplaats. Een ingreep die inmiddels een onuitwisbare episode uit de bouwgeschiedenis van het complex is geworden.
Hier eindigde de reconstructie van het Oost-Indisch Huis echter niet. Bij de restauratie van de oudste vleugel in 1976 werden de kruiskozijnen in een meer ‘historisch-correcte’ vorm gebracht en kreeg het interieur – dat in de loop van de jaren volkomen was uitgesloopt en verrommeld – een meer passende inrichting. De architecten Jaap Schipper (1915-2010) en Bart van Kasteel (1921-1988) hadden op de hoofdverdieping bovendien de plafonds met moer- en kinderbinten teruggebracht. (3)
![]() |
| 3 De VOC-Bewindhebberskamer (tekening: S. Fokke, 1771, Stadsarchief Amsterdam |
Zo bezien vormt de reconstructie van de Bewindhebbers- of VOC-kamer in de bovengenoemde grote zaal door Ruud Meischke (1923-2010) en Henk Zantkuijl (1925-2012) in 1997-2001 de afsluiting van een bouwcampagne die in 1890 door de rijksbouwmeester was begonnen en tot doel had de oude luister van het VOC-gebouw te herstellen (afb. 2). (4) De Bewindhebberskamer was de locatie waar de Heren XVII bijeenkwamen. Op basis van bouwhistorisch onderzoek en de tekeningen van Peters hadden Meischke en Zantkuijl gevonden dat deze geweest moest zijn in de grote achterzaal van de hoofdverdieping, waar Schipper en Van Kasteel in 1978 behalve het moer- en kinderbalkenplafond ook de grote natuurstenen consoles hadden teruggebracht, die op de tekening van Simon Fokke uit 1771 zijn afgebeeld (afb. 3).
De tekening van Fokke toont de installatie van stadhouder Willem V tot Opperbewindhebber van de VOC in 1768 en diende als bron voor de
reconstructie van de inrichting van de Bewindhebberskamer – de enige bekende bron, maar wel een vrij betrouwbare in die zin dat Fokke bekend
staat om de nauwkeurigheid van zijn prenten.
De op en naast de schouw afgebeelde schilderijen zijn teruggevonden en bevinden zich in de collectie van het Rijksmuseum, dus de afmetingen
daarvan zijn bekend. De reconstructie behelsde niet alleen de schouw met het oude en nieuwe wapen van de Amsterdam, maar ook de schilderijen waarvan (naar huidige maatstaven gemeten matige) reproducties werden gemaakt en een ovale tafel met stoelen. De daarvoor geplaatste balustrade, die de ruimte rond de tafel afscheidt van de rest van de zaal, is fantasie. Deze lijkt
bedoeld om de oorspronkelijke functie van het Oost-Indisch Huis te duiden en een historische sensatie op te roepen. Alleen al om die reden heb
ik de gereconstrueerde Bewindhebberskamer altijd bijzonder gevonden. We moeten natuurlijk wel beseffen dat de reconstructie niet louter
daarvoor is gemaakt, maar tevens een representatieve functie vervulde en onder meer door de UvA werd gebruikt voor diploma-uitreikingen.
Wie de reconstructie van de Bewindhebberskamer vergelijkt met de prent van Fokke valt direct op dat deze geplaatst is in een lange zaal, terwijl in de prent de indruk wordt gewekt van een vrij klein vertrek. Dit wordt nu gemaskeerd door de balustrade die binnen de grote zaal een aparte ruimte creëert (afb. 4). Op de prent van Fokke zijn behalve een schouw tegen de achterwand en een zwaar moer- en kinderbalkenplafond op consoles, aan de linkerzijde twee kruisvensters te zien. In werkelijkheid heeft de grote zaal vijf vensters. Tegen de in twee fasen tot stand gebrachte reconstructie is behalve dit verschil nog wel het een en ander in te brengen, wat dan ook prompt gebeurde door Erik Mattie en Cees van Soestbergen in een artikel in het KNOB-Bulletin. (5) Zij beargumenteerden dat de VOC-kamer niet aan de achterzijde van het Oost-Indisch Huis had gelegen, maar aan de voorzijde, op de eerste verdieping. Overvoorde had dit in 1928 ook al geponeerd. (6) Als verklaring voor het feit dat de top van de zuidgevel van de binnenplaats niet middenboven de gevel staat gaf hij dat bij de aanbouw van de westelijke vleugel in 1634 een travee achter die aanbouw was verdwenen. Een citaat uit de Resolutiën van de Amsterdamse VOC-kamer uit 1660 over de vergroting van de zaal – na een eerdere verkleining – moest dit illustreren. (7)
Sinds het artikel van Meischke uit 1958 gaat de literatuur echter uit van de huidige locatie. Het bovengenoemde citaat zou volgens Meischke en Zantkuijl even goed betrekking kunnen hebben gehad op de achterzaal. Uit het enige aangetroffen bouwspoor, het bovenste deel van de spiltrap die vanuit het voorhuis naar boven voerde, leidde Meischke af dat er op de hoofdverdieping – op de voor Amsterdam gebruikelijke wijze – een voorhuis (hal) met zijkamers was geweest en dat er vanwege die trap op de verdieping aan de voorzijde geen grote zaal kon liggen. De ruimte boven de VOC-zaal was volgens hen evenmin geschikt voor een representatieve ruimte, omdat die te laag was. (8) In ieder geval paste de gereconstrueerde schouw, waarvan de afmetingen zijn afgeleid van het nog bestaande schilderij goed in de hoogte van de zaal op de hoofdverdieping. Het belangrijkste argument vóór de huidige locatie vormde echter het moer- en kinderbalkenplafond, dat volgens Meischke en Zantkuijl niet op de bovenverdieping kon hebben gelegen, omdat de jukken van de kapconstructie op een daaraan aangepaste balklaag rusten en niet kunnen rusten op het moer- en kinderbalkenplafond, zoals afgebeeld op de tekening van Fokke. Mattie repliceerde hierop dat er mogelijk wel tussenbalken waren.
Het belangrijkste argument van Mattie luidt echter dat op de zeventiende- en achttiende-eeuwse prenten van het Oost-Indisch Huis alleen schoorstenen voorkomen aan de – vanuit de Oude Hoogstraat gezien – linkerzijde van het gebouw, en niet aan de rechterzijde. Dat betekent volgens hem dat de ramen op de tekening van Fokke aan de binnenplaats liggen en niet aan de achterplaats. Meischke en Zantkuijl brengen hier tegenin dat deze tekeningen onzorgvuldig zijn en niet kloppen: er zijn wel meer onwaarschijnlijke schoorstenen ingetekend. Zij merkten tevens op dat dit ook kan betekenen dat de linker zijkamer aan de voorzijde van de hoofdverdieping een mogelijke kandidaat is voor de locatie van de VOC-kamer, zelfs meer dan een ruimte op de bovenverdieping, omdat hier ook een moer- en kinderbalkenplafond was. In dat geval was de VOC-kamer niet erg groot, vanwege het voorhuis met spiltrap die achter de ingangspoort lag, maar over die zijkamer sprak Mattie dan weer niet. Zowel Meischke als Mattie beweren dat hun berekeningen van de afmetingen van de schouw hun plaatsaanduiding onderbouwen, maar dit is niet te verifiëren, aangezien er geen maten worden medegedeeld. Misschien zou het nuttig zijn als de authenticiteit van de balklaag van de bovenverdieping werd onderzocht. Hoe dan ook, Mattie erkent dat nooit met honderd procent zekerheid kan worden vastgesteld waar de VOC-kamer zich bevond, want uit bouwsporen kan weinig worden afgeleid als gevolg van de grondige wijze waarop latere verbouwingen deze hebben uitgewist. Hij concludeert slechts dat er door Meischke en Zantkuijl niet onbetwistbaar is aangetoond dat hun locatiekeuze voor de VOC-zaal de juiste is. (9)
![]() |
| 5 Detail van de vogelvluchtkaart van Amsterdam van Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1625 met in de cirkel de ontbrekende schoorsteen. |
Op het eerste gezicht lijkt de tekening van Fokke een veel kleinere kamer in beeld te brengen dan de 16 m lange zaal, waarin aan het kopse uiteinde de reconstructie van de Bewindhebberskamer is aangebracht. Om die reden zou de niet meer bestaande linker zijkamer naast de hal aan de voorzijde van het gebouw inderdaad ook de Bewindhebberskamer kunnen zijn geweest. Daar bevond zich immers op de zeventiende-eeuwse prenten ook een schoorsteen. Dit komt echter niet overeen met de beschrijvingen in de historische bronnen. Johannes Pontanus, die als eerste een geschiedenis schreef van Amsterdam, sprak in 1614 nog over de ‘groote camer van de Bewinthebbers’. (10) Na de vergroting van de ruimte in 1660 wordt in de historische bronnen echter gesproken over een ‘groote Zaal’. Deze muntte qua versiering uit boven alle andere vertrekken van het complex. Volgens Olfert Dapper (1663) kon men daar behalve de door Fokke afgebeelde schilderijen ook ‘uitheemsche wapenen, hele en halve Lancien, bijlen en schildpad schilden […] aen de want’ zien hangen. (11) Ook zouden hier volgens hem nog kasten met specerijen hebben gestaan. Dat past allemaal niet in de linker zijkamer en lijkt erop te duiden dat de ruimte toch groter was dan Fokke lijkt te suggereren: de tafel stond dan aan één zijde bij de schouw. Caspar Commelin (1693), die zich grotendeels baseerde op de beschrijving van Tobias van Domselaer (1665), noemt eerst ‘de gemeene groote Zaal, daar tweemaal ter week, tot vaststellinge van alle Resolutien, Bewinthebberen vergaderen’ alvorens de overige vertrekken op te sommen, zoals de ‘Kamers daar de dagelijksche afschrijvingen geschieden, en Acten getekent werden, Rekenkamers genaamt; Advocaats vertrek; en verscheydene Boekhouders schrijf-plaatsen’. (12)
Jan Wagenaar (1761) tenslotte beschrijft het Oost-Indisch Huis door eerst de vele kamers en vertrekken te bespreken die bereikbaar zijn via de toegangen vanaf de binnenplaats, waaronder het vertrek ‘daar de bewindhebbers vergaderen’. Pas daarna spreekt hij over ‘een bovenvertrek van ’t zuiderdeel des gebouw [dat] dient tot eene Wapenkamer’. ‘Ook is hierde groote Zaal alwaar de openbaare veiling der Indische waaren geschiedt’. (13) Dit wekt de indruk dat de bewindhebbers hun eigen ruimte hadden en niet vergaderden in de grote zaal op de bovenverdieping.
Wat betreft het ontbreken van een schoorsteen op de bekende prenten van het Oost-Indisch Huis aan de oostzijde van het gebouw, dat door Mattie als argument wordt gebruikt om aan te tonen dat de Bewindhebberszaal niet in de achterzijde van het gebouw kan zijn geweest, speelde wellicht mee dat vanaf de binnenplaats geen schoorsteen te zien was. Op de vogelvluchtkaart van Balthasar Florisz van Berckenrode is echter wel een schoorsteen op de bedoelde locatie aangegeven, mogelijk was deze wel te zien vanaf de binnenplaats van het Sint-Jorishof (afb. 5). Het lijkt er dus op dat Meischke en Zantkuijl toch gelijk hadden. Vanwege het voorhuis (hal) en de doorlopende spiltrap, komt eigenlijk alleen de grote ruimte op de hoofdverdieping aan de achterzijde van het complex in aanmerking. Dit was de meest monumentale ruimte en in Amsterdam is dit voor een dergelijke zaal ook de meest gebruikelijke locatie. Hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld waar de Bewindhebberskamer zich heeft bevonden, heeft Mattie mijns inziens niet overtuigend aangetoond dat Meischke en Zantkuijl ongelijk hadden.
In zijn artikel in 2001 bepleitte Mattie om meer onderzoek te doen, maar dat is er, voor zover ik weet, nooit gekomen. Destijds was dat actueel, omdat hij zich zorgen maakte over de voortgaande vernieling van het gebouw die toen plaatsvond. In het huidige ‘woke’-klimaat dreigt daar nu een kleine beeldenstorm aan te worden toegevoegd. De pleitbezorgers van de afbraak van de Bewindhebberszaal zeggen dat studenten en medewerkers van de UvA zich niet prettig voelen in deze zaal waar vergaderingen, recepties en ceremonies plaatsvinden. De zaal is namelijk niet ‘inclusief’, omdat het VOC-verleden zou worden ‘verheerlijkt zonder kritische reflectie’. De zaal is momenteel uit de roulatie genomen en is op slot – ook voor hen die een kijkje willen nemen. In de kritische reflectie wordt inmiddels voorzien: de Faculteit is een programma ‘Dekoloniale dialogen’ begonnen, een ‘open uitnodiging aan iedereen die mee wil praten’, in de vorm van colleges, lezingen of tentoonstellingen. Zou daar ook aan bod komen dat het uitwissen van eerdere episodes in de bouwgeschiedenis niet past in het vigerende monumentenbeleid? Sloop is niet alleen een vorm van kapitaalvernietiging, maar getuigt bovendien van een gebrek aan respect voor de geschiedenis en tevens voor de monumentenzorgers die de oude binnenstad in de twintigste eeuw hebben weten te behouden. Sloop is een vorm van vandalisme. De gereconstrueerde Bewindhebberszaal is inmiddels een document op zich, ongeacht de vraag of de locatie correct is. Mattie zal het daar vermoedelijk niet mee oneens zijn. Het was niet zijn doel om de VOC-zaal te slopen. Hij begon een academische discussie en vroeg ‘hoe legitiem het is om iets te reconstrueren als niet veel restmateriaal is overgebleven’. (14) Maar nu de zaal er is, is deze onderdeel geworden van het beschermde rijksmonument.
Tenslotte zou ik nog willen opmerken dat mij de VOC-zaal juist heel geschikt lijkt om te vertellen over de VOC en de slavernij. De ruimte kan voor aanschouwelijk onderwijs worden benut. Vanuit educatief oogpunt is een reconstructie, ook als die niet (geheel) juist mocht zijn, niet bezwaarlijk. Wat wil je als onderwijsinstelling nog meer? Een perfecte locatie om de geschiedenis levend te houden en ter discussie te stellen?
Walther Schoonenberg
Noten
1 Wie goed kijkt kan de overgang in het metselwerk zien,
verstopt achter de regenpijp.
2 In de achttiende eeuw was uit zuinigheid het rolwerk
niet hersteld, maar vervangen door rechte banden. De
balustrade bleef wel bestaan. Zie: H.J. Zantkuijl, ‘Verantwoord restaureren’ in: Maandblad Amstelodamum 65 (1978), p. 100-120.
3 De vloeren met ijzeren balken uit de tijd van architect
Peters waren al eerder door de Rijksgebouwendienst
vervangen door gewapende betonvloeren.
4 Al in 1958 hadden Meischke en Zantkuijl op basis van
bouwhistorisch onderzoek de locatie van de Bewindhebberskamer bepaald. Zie: Ir. R. Meischke, ‘Het Oost-Indisch Huis te Amsterdam’ in: Bulletin KNOB 1958-5, p. 198-218;
H.J. Zantkuijl, Bouwen in Amsterdam, Amsterdam 1993, p. 188-191.
5 E.H. Mattie en C. van Soestbergen, ‘Het Oost Indisch Huis te Amsterdam: problemen bij de reconstructie van een historisch interieur’ in: Bulletin KNOB 2001-3, p. 93-99.
6 J.C. Overvoorde, ‘De gebouwen van de Oost-Indische
en West-Indische Compagnie in Nederland’ in: Bulletin
NOB 1928-1, p. 17-53 (30).
7 ‘De sael, darinne de vergaederinghe gehouden sal
werden vergroot met de twee vertrecken, daervan af-
genomen, sullcx de muyr daervan doorgeslaegen ende
wegghenomen ende tot de voorsz. [voorgenoemde] sael
geaccomodeert’ (geciteerd door Overvoorde 1928-1).
8 In zijn artikel uit 1958 gaf Meischke aan dat deze zaal
slechts 2,2 m hoog was (p. 209), maar in zijn artikel uit
2001 erkent hij dat hij het plafond van de VOC-zaal te hoog
had gelegd. De huidige hoogte van de zaal is iets lager
dan de oorspronkelijke omdat het balkenplafond onder
de aanwezige betonvloer is aangebracht. Zie: R. Meischke
en H.J. Zantkuijl, ‘De plaats van de zaal in het Oost-Indisch
Huis te Amsterdam’ in: Bulletin KNOB 2001-6, p. 210-211.
9 Erik Mattie, ‘Repliek’ in: Bulletin KNOB 2001-6, p. 212-213.
10 J.I. Pontanus, Historische beschrijvinghe der weer wijt
beroemde coop-stadt…, Amsterdam 1614, p. 145.
11 Dr. O. D[apper], Historische Beschryving der Stadt Amsterdam, Amsterdam 1663, p. 449.
12 C. Commelin, Beschrijvinge van Amsterdam …, 2e deel,
Amsterdam 1726 (1e druk 1693): p. 733-734
13 J. Wagenaar, Amsterdam in zyne opkomst, aanwas, geschiedenissen …, 3e deel, 1e boek, Amsterdam, 1761, p. 83.
14 Mattie 2001, p. 95.
N.B. Dit artikel maakt behalve van de in de voetnoten genoemde artikelen gebruik van de door mij gemaakte beschrijving op de website Amsterdam Monumentenstad, https://www.amsterdam-monumentenstad.nl/database/grachtenboek_objecten.php?id=4254
(Uit: Binnenstad 310, jan.-maart 2023)
Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.
Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.
Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.