Keizersgracht 268

Na de instorting

Wethouder Stadig heeft de raadscommissie voor o.a, monumentenzorg een rapport gestuurd over de instorting van Keizersgracht 268, en de daardoor onvermijdelijk geworden sloping (demontering) van het buurpand 270. De wethouder onthoudt zich van een oordeel over de verantwoordelijkheden, omdat dit primair een zaak is tussen de bij het bouwproces betrokken partijen en de verzekering.

Wat er op 11 februari 1998 overbleef van Keizersgracht 268
Wat er op 11 februari 1998 overbleef van Keizersgracht 268

In dit geval is de eigenaar tevens de aannemer. Wat deze 'partijen’ bij hun verzekering kunnen claimen is inderdaad geen zaak van de gemeente. Wel een zaak van de gemeente is de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het bouwproces, Daarvoor hebben we al bijna een eeuw een Dienst Bouw- en Woningtoezicht. De frequente instortingen tijdens het bouwen waren aanleiding tot instelling van die dienst. De inspecteur die het rapport opstelde, heeft dat punt gemakshalve buiten beschouwing gelaten en de wethouder neemt die omissie over.

Ook over reconstructie van beide panden wil de wethouder geen stellige uitspraken doen, omdat dat 'van vele factoren afhankelijk is'. Laten we niet vergeten dat de eerste verantwoordelijkheid berust bij Burgemeester en Wethouders die bouw- en monumentenvergunningen hebben verleend voor restauratie zoals nr. 168 er stond vóór de instorting. Die vergunningen zijn rechtsgeldig en verplichten de eigenaar om het werk conform het ingediende plan uit te voeren. Dat is de enige factor die telt en daarvoor is deze wethouder verantwoordelijk.

Terecht noemt het hoofd van het Bureau Monumentenzorg twee factoren die pleiten voor herbouw in de oude vorm. Het gaat om 'een zeer gave, hoogwaardige, overwegend 18de-eeuwse gevelwand. Bij nieuwbouw, ook als deze op een zorgvuldige wijze zal plaatsvinden, zal het beeld van de historische eenheid verstoord worden. Een tweede reden is de precedentwerking... Bewust of onbewust onzorgvuldig handelen met instorting tot gevolg zou dan 'beloond' kunnen worden met toestemming tot nieuwbouw met meestal betere exploitatiemogelijkheden'. Dat is nu precies, waar het om gaat.

Dat er geen opzet in het spel is geweest, wordt bewezen geacht door de mededeling dat de kapconstructie, de daken en, waar nodig, de balklagen in vóór- en achterhuis al waren vernieuwd. Dat is geen bewijs maar een rekensommetje. Wat is de winst in bouwkosten en, vooral, in rendement wanneer de eigenaar-aannemer ter plaatse van het ingestorte pand een modern appartementsgebouwtje kan neerzetten? Hoeveel heeft hij al geïnvesteerd in de nu afgebroken restauratie? Is de eerst genoemde winstmogelijkheid hoger dan de schade, dan kan opzet niet uitgesloten worden geacht.
Interessant is het bericht dat de 'bouwmuren van het achterhuis geheel waren gesloopt, nadat de balklagen, de verdiepingsvloeren en de kapconstructie op een tijdelijke constructie waren opgevangen'. Waarom, zo vraagt iedereen die wel eens een restauratiewerk van dichtbij heeft meegemaakt, zich af, is zo’n tijdelijke stutconstructie dan niet aangebracht in het voorhuis? Zeker, dat kost tijd en geld. Waarom heeft de inspecteur Bouwtoezicht zo'n veiligheidsvoorziening niet geëist, voordat begonnen werd met het uitgraven van de kelder?

Het rapport van wethouder Stadig heeft géén duidelijkheid gebracht over het instortingsgeval, integendeel.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 170, mei 1998)

Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.