Het is meer een bescheiden verbinding tussen het Singel en de Herengracht, gegraven op het eind van de 16de eeuw, toen de Herengracht nog Achtergracht heette, en niet meer voorstelde dan een smalle water loop achter de bolwerken, die alleen aan de stadszijde was bebouwd. Zo is het te zien op de plattegrond van Pieter Bast uit 1597. Toen twintig jaar later het grote uitbreidingsplan van de grachtengordel in uitvoering kwam, steeg de Herengracht in aanzien; zij werd verbreed, gedeeltelijk verlegd, en kreeg aan de overzijde statige huizen. De Blauwburgwal bleef wat hij geweest was, een verbindingsgrachtje waarop de Langestraat uitkomt, in de overgangszone tussen de middeleeuwse en de 17de-eeuwse plattegrond.
Een van de gangbare gemeenplaatsen in wat er over monumentenzorg gezegd en geschreven wordt is dat wij tegenwoordig niet meer in de eerste plaats bezig zijn met het individuele monument, maar met de totaliteit van het stadsbeeld. Dat lijkt om te beginnen op een alibi-verhaal ter camouflage van gebrek aan geld en belangstelling om die individuele historische huizen te geven wat zij nodig hebben. De zorg voor het enkele gebouw is namelijk de directe verantwoordelijkheid van de monumentenzorgers, terwijl zij over het stadsbeeld als geheel nauwelijks enige zeggenschap hebben. Dat ressorteert onder ruimtelijke ordening, welstandstoezicht, reclameverordeningen, bouw- en woningtoezicht, met in de praktijk, helaas, een accent van projectontwikkelaars met goede relaties. De betekenis van het stedelijk milieu, de openbare ruimte, of hoe je het noemen wilt, voor de vraag, of bewoners en bezoekers op straat al dan niet met vreugde om zich heen kijken, is bovendien geen nieuwe ontdekking. Onze taal heeft daarvoor passende teksten, zoals: een open deur intrappen of het wiel opnieuw uitvinden. De nog altijd lezenswaardige brochure Stedenschennis van D.C. Meijer en Jan Veth tegen het dempingsplan voor de Reguliersgracht uit 1901 betoogt niet anders dan dat de waarde van het geheel van water, walkant, bomen, bruggen en huizen langs de grachten ver uitstijgt boven de waarde van het enkele gebouw, ja zelfs van het Paleis op de Dam. Dat geldt evenzeer voor de straatprofielen.
Die totaliteit bevat constante en variabele factoren, en heeft haar levendigheid vooral aan de variatie te danken. De rijen gelijkvormige trapgevels uit het begin van de 17de eeuw waren zeker minder boeiend dan de gevarieerde gevelwanden van Caspar Philips uit 1770. De 19de eeuw heeft veel gevels nagelaten, waar, zo op het oog, geen architect aan te pas is gekomen. Elke geschoolde timmermansbaas wist, hoe het hoorde: beneden de houten pui met veel glas en de voordeur, afgesloten door een geprofileerde lijst, daarboven de hoge staande ramen met een uitstekende onderdorpel, evenwichtig verdeeld tussen de borstweringen en penanten van zorgvuldig metsel werk, en dan als afsluiting de kroonlijst, als het even kon met een paar versierde consoles. De variabele factor in die gevels is gering, zo niet afwezig, en dat accentueert de constante, samen met de parcellering, het dwarsprofiel van grachten en straten en de kleuren. Het harmonisch geheel heeft een merkwaardige elasticiteit, het kan allerlei variatie en nieuwe vormen in zich opnemen, maar het is wèl kwetsbaar, je kunt het kapot maken.
De in discussies over nieuwe gebouwen in de oude stad steeds opduikende paniekreactie "wat je ook doet, nóóit historiserend bouwen", de meest gangbare stupiditeit is een oeverloos gezwets, is te herleiden tot de ontkenning van die constante factoren. Of die ontkenning voortkomt uit onwetendheid, architecten-ijdelheid, dan wel geldzucht van de opdrachtgever, doet minder ter zake, hoofdzaak is dat wie een gebouw wil neerzetten zonder rekening te houden met de kwaliteiten van de omgeving, bezig is om die kwaliteiten te beschadigen.
Begin juli vond in de Gemeenteraad een discussie
plaats over het voorstel van Amstelland Vastgoed om
op 29 plekken - locaties heet dat in ondernemersjargon - waar nu nog een onderstuk of bouwvallig huis staat, in één operatie 64 koopwoningen en 973 m2 bedrijfsruimte te bouwen. Dat voorstel kreeg bijval,
omdat het goedkoop zou zijn, maar er rees twijfel
over de aanvaardbaarheid van de architectonische
vormgeving die het Architectenbureau Claus en
Kaan presenteerde. Goedkoop in kwalitatieve zin zou
het zeker worden, om niet te zeggen lorrig. Die éne
bouwoperatie impliceert standaard-plattegronden en
-montage-elementen, en de attractie van een eigen
huis in de binnenstad is nu juist dat het géén serieprodukt is, ook al respecteert het de hiervoor genoemde constante factoren.
Het hier afgebeelde plaatje, overgenomen uit Het
Parool, laat zien, wat deze "bouwmeesters" zich
voorstellen over de manier waarop zij gaten in de
stad willen vullen. De uitdrukking zakkenvullen zou
beter passen.
Terug naar de Blauwburgwal. De foto is vroeg op een zondagmorgen genomen, het zonlicht komt uit het Oosten, over het Singel. Het is nog stil, je kunt veilig om je heen kijken en ervaren wat de Amsterdamse binnenstad tot een van de mooiste plekken van Europa maakt. Laten we het zo bewaren!
Geurt Brinkgreve
(Uit: Binnenstad 141, juli 1993)
Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.
Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.
Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.