Zoeken naar een
passende bestemming voor een historisch gebouw doet
vaak denken aan de spreekwoordelijke speld in een
hooiberg. Zeker was dat het geval bij een complex als het
West-Indisch Huis, bestaande uit drie vleugels uit het
eerste kwartaal van de 17de eeuw, een aanbouw aan de
westzijde uit 1825, een aanbouw aan de zuidzijde uit
1873 en een oostvleugel uit 1873, met talrijke
niveauverschillen tussen de bouwdelen. De 19de-eeuwse
vleugels boden de minste moeilijkheden voor een
herbestemming: daar waren nauwelijks sporen aanwezig
van een oorspronkelijke indeling. Waarschijnlijk zijn de
scheidingswanden van hout geweest of van "Brabants
werk" - gips op tengelwerk met rietmatten -, en die
waren al weggesloopt, toen het voormalige luthers
Wees- en bejaardenhuis in 1954 werd ingericht tot
kantoor en magazijn van een textielgroothandel. De
zuidelijke aanbouw, aanvankelijk een hoge kerkzaal, was
bij die gelegenheid al horizontaal gesplitst. Deze
omstandigheid maakte het mogelijk om de 19de-eeuwse
vleugels van een compleet nieuwe indeling te voorzien:
woningen aan de zuidzijde en leslokalen voor de
Volksuniversiteit in de oostvleugel, terwijl in de westelijke
aanbouw uit 1825 de nodige moderne voorzieningen -
lift en toiletgroepen - konden worden ondergebracht. Dat
gaf de architect de vrijheid om de historisch waardevolle
kamers, zalen en trappenhuis weer in hun oorspronkelijke
ruimtewerking te herstellen. Met tal van potentiële
huurders is overleg gevoerd over de bestemming van het
17de-eeuwse hoofdgebouw. Er is sprake geweest van
het Vlaams Cultureel Centrum, dat ten slotte in de Brakke
Grond terecht kwam, er zijn besprekingen geweest met
de BNA en verschillende andere instellingen. Telkens
bleek dat er te veel praktische bezwaren rezen, totdat
tijdens een rondleiding door de restauratie aan het
stichtingsbestuur de vraag werd gesteld: hebt u wel eens
aan de trouwzalen gedacht? In het Prinsenhof had de
secretarie de daarvoor gebruikte ruimte hard nodig voor
andere doeleinden, er waren altijd strubbelingen met
opstoppingen en parkeren, en hoezeer de ambtenaren
van de Burgerlijke Stand ook hun best deden om het
trouwen met enig feestelijk ceremonieel te omlijsten, het
bleef rommelig, omdat er steeds mensen doorheen liepen
die met iets anders bezig waren.
Kort daarop zaten de architect en de secretaris van het
stichtingsbestuur bij de directeur van de Dienst
Bevolkingsregister. Wat waren de gebruikseisen en hoe
zouden die ingevoegd kunnen worden in de 17de-eeuwse
vertrekken, met hun aanbouw-1825? Na enig passen,
meten en schuiven bleek dat wonderwel te passen: een
ruime entree aan de Haarlemmerstraat, twee zalen voor
grote en twee kamers voor kleine gezelschappen, veel
ruimte voor wachten en feliciteren, en een aparte uitgang
aan de oostzijde over de herbouwde stoep en de
binnenplaats. Bij de afbouw werd rekening gehouden met
de wensen van de Burgerlijke Stand. Met koperen kronen
aan de balkenplafonds, enkele meubels en schilderijen
uit het Historisch Museum en verder modern meubilair
richtte de dienst zijn nieuwe verblijf in. Het West-Indisch
Huis werd door de gemeenteraad aangewezen als ''huis
der gemeente", zodat aan de wettelijke bepalingen was
voldaan.
Sinds bruidsparen niet meer verplicht zijn in hun woonplaats te trouwen, gingen vóór 1981 heel wat partijen uit Amsterdam naar Weesp, de Rijp of Graft, kortom naar een nabije gemeente met een stijlvol historisch stadhuis. Het West-Indisch Huis betekende een ommekeer: het aantal in Amsterdam gesloten huwelijken steeg weer en dat hield aan tot 30 september j.l. De ambtenaren toonden zich gelukkig met hun eigen huis en de reactie van het publiek was enthousiast. Het stichtingsbestuur verzocht daarom al spoedig aan Burgemeester en Wethouders om de bestemming trouwzalen permanent te maken. De plannen voor het Stadhuis-Muziektheater waren toen nog niet definitief, men zou daar kunnen volstaan met een enkele kamer voor mensen die hun huwelijk beslist in het officiële stadhuis wilden sluiten. Het antwoord was afwijzend: in het bouwplan waren drie vertrekken voor huwelijks sluitingen gereserveerd en de accommodatie in het West-Indisch Huis zou slechts tijdelijk zijn. Amsterdammers die willen trouwen dienen naar hun eigen stadhuis te gaan, zó was de strekking. Daar hoort echter een kanttekening bij: het hoéft niet. Voor de wet is trouwen al lang niet meer de algemeen geldende voorwaarde om te gaan samenwonen, en wanneer een paar ten slotte tot het huwelijk besluit, dan mogen zij kiezen wáár de plechtigheid zal plaatsvinden. De op gang zijnde binnengemeentelijke decentralisatie maakt het mogelijk om in de eigen wijk te trouwen, en men kan 'uitwijken' naar een andere gemeente. Waarom dan niet óók in het West-Indisch Huis?
Edoch: plan is plan en besluit is besluit; met enig verdriet
verlieten de ambtenaren van de Burgerlijke Stand het
statige gebouw aan de Haarlemmerstraat, waar het
trouwen door de omgeving echt tot een stijlvol feest werd
gemaakt. Wat is ervoor in de plaats gekomen?
Wij citeren de beschrijving van Renée Steenbergen in
NRC-Handelsblad van 29 september 1988:
"De drie
trouwzalen zijn het leukst. Vooral Wim T. Schippers leefde
zich uit en maakte een uitdragerij van 'zijn' kamertje. Een
t.v.-stoel, een keukenstoel, een collegestoel compleet
met schrijfblad: dat zijn enkele van de zitmeubels die hij
in rijen voor de tafel van de ambtenaar zette. Het lijkt wel
een huiskamer waar het publiek tussen de schuifdeuren
zit op alles wat in huis voorhanden is. In de felicitatieruimte
erachter-die overigens een prachtig uitzicht biedt op de
Amstel - bevinden zich temidden van vele minstens zo
merkwaardige voorwerpen twee nep-zuilen. De ene is
een in tweeën gebroken exemplaar, de andere is van
schuimrubber en geeft mee als je er als wachtende steun
zoekt. Jeroen Henneman ging in op de ceremonie en
gebruikte symbolen als man-vrouw, dag-nacht om
uitdrukking te geven aan de echtverbintenis. Pieter
Engels was meliger en stelt trouwlustigen in de
gelegenheid aan elkaar geklonken te worden; de
ambtenaar slaat dan een gouden spijker door de twee
stoeltjes waarop man en vrouw zitten. Het is allemaal een
beetje mager, deze grootse kunstaankoop.... De
geselecteerde kunstwerken verlenen het stadhuis geen
allure, maar geven er het aanzien aan van een
volkshogeschool."
Erg enthousiast klinkt dat niet, maar, wie weet, komen er
toch bruidsparen die ontvankelijk zijn voor het
"eigentijdse accent" van de decorateurs. Of het een
verstandig besluit is geweest ten opzichte van het
publiek, de ambtenaren van de Burgerlijke Stand en ....
de gemeentefinanciën om daarvoor het West-Indisch
Huis prijs te geven, is een andere vraag. Voor het
West-Indisch Huis betaalde de gemeente nog geen f 400
per vierkante meter per jaar, het nieuwe stadhuis kost,
zo hoort men fluisteren, f 800 per vierkante meter per
jaar!
Geurt Brinkgreve
(Uit: Binnenstad 112, november 1988)
Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.
Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.
Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.