Stationspleindromen

Het Centraal Station werd door ingenieur J.A.A. Waldorp recht voor het Damrak gesitueerd. Het middenpaviljoen van architect Cuypers roept met zijn dubbele torenfront bewuste associaties met een stadspoort op. Dit gegeven prikkelde laatnegentiende-eeuwse ontwerpers tot stedenbouwkundige plannen die de gevelwand van het station, het voorplein en het Damrak als één monumentaal geheel opvatten. De meeste van die plannen hadden te maken met de beursproblematiek die het besluiteloze Amsterdam tussen 1870 en 1900 in een ijzeren greep hield: het al of niet bouwen van een nieuwe beurs en vooral de plaats daarvan. Maar dat interesseert ons hier minder dan de manier waarop een aantal architecten het overgangsgebied tussen Centraal Station en Damrakboulevard wilde vormgeven. Het gaat om nooit gerealiseerde dromen over monumentale pleinen.
Stationsplein en boulevardplan Cuypers 1893.

We weten dat er bij de afsluiting van het Open Havenfront van meet af aan sprake was van een 'stationseiland', of in ieder geval een schiereiland, wat impliceerde dat er water – er wordt steeds gesproken van een 'gracht' – tussen het stationsterrein en de stad zou worden opengelaten. Maar in 1865 had nog niemand in Amsterdam één tekening gezien en dus drongen leden van de gemeenteraad onder leiding van Menso Pijnappel er nadrukkelijk op aan dat er een gracht van maar liefst 100 el breedte zou komen, iets breder nog dan de Binnen-Amstel.

Stationsplein en boulevard in beursplan-Krasnapolsky (1888 Jan L. Springer), uit: Nieuws van de Dag.

Toen het station in de jaren tachtig eenmaal opgetrokken werd, waren sommige architecten duidelijk niet gelukkig met de aanwezigheid van de brede waterkom voor het station. Zij maakten plannen waarin de motie-Pijnappel, inmiddels al weer 20 jaar oud, volledig genegeerd werd. De 'gracht' was een wens van destijds geweest, een compromis en een schrikreactie op het verloren gaan van het Open Havenfront; nu het station er eenmaal stond – en de Handelskade de havenfunctie had overgenomen – moest het, stedenbouwkundig gezien, op dezelfde eigentijdse manier aan de stad gekoppeld worden als in andere grote Europese steden. Een monumentaal stationsgebouw vereiste een monumentaal plein en een monumentale stationsomgeving. De licht gebogen gevelwand van de Prins Hendrikkade was bovendien op zichzelf een monumentaal gegeven: het lag als een amtheater om het nieuwe station, alleen het 'proscenium' en het 'orchestra' – om in de termen van het Griekse theater te blijven – hadden geen duidelijke vorm. In het beursplan-Krasnapolsky uit 1888 ontwierp de architect Jan L. Springer behalve een nieuwe beurs ook een brede boulevard, die uitliep op een 'behoorlijk plein' (toelichting in het Nieuws van den Dag) voor het station. Drie geometrische plantsoenen, samen een barok-symmetrisch geheel vormend, kwamen in de plaats van de twee te dempen middenkommen en het driehoekige voorplein. In een later plan uit 1893 behield Springer overigens wél de twee middenkommen, maar fatsoeneerde hij die tot twee gelijkmatige, symmetrische vormen, elk omzoomd door bomen, aan de zuidzijde in een dubbele rij. Ook Cuypers, de hoofdarchitect van het station, greep de beursdiscussie aan om van het water af te komen. Alleen snoerde hij de zichtas vanaf het Damrak in en richtte hij die geheel op het tweetorenfront van zijn station – daarmee de Middeleeuwse poortgedachte versterkend – door vlak vóór de middenpartij een relatief smal plein te projecteren met aan weerszijden twee grote bouwterreinen. Op het westelijke situeerde hij de nieuwe beurs.

Stationsplein en boulevardplan Klaas van Rijsse (1886) uit: Nieuws van de Dag

Interessant is het plan uit 1886 van de bouwkundige Klaas van Rijsse, die een jaar later naar Transvaal vertrok en daar architect van Publieke Werken werd (*). Ook hij bestemde het water weg en ontwierp vóór het station een groot plein met een 'electrische lichtzuil' en aan weerszijden fraaie plantsoenen in landschapsstijl. Ten noorden van de Prins Hendrikkade legde hij twee nieuwe bouwterreinen aan, waardoor de Prins Hendrikkade een dwarsstraat werd. (Het Victoriahotel bestond nog niet.) Om de Damrakboulevard recht voor het middenfront van het Centraal Station te laten uitkomen, gaf hij die een S-curve, waardoor gebogen straatwanden ontstonden. Dit verraadt de invloed van architect Isaac Gosschalk, bij wie hij mogelijk, evenals zijn broer Piet van Rijsse, gewerkt heeft. Gosschalk was de kampioen van de gebogen straatwanden en, ver vóór Berlage, een propagandist van een schilderachtige stedenbouw. Van Rijsse gebruikte deels dezelfde argumenten als Gosschalk, namelijk dat een gebogen straat langer lijkt en bovendien beter in de omgeving van de Middeleeuwse stad past. Nieuwendijk, Zeedijk en Warmoesstraat bezaten ook onregelmatige tracés en gebogen rooilijnen.

De voorstellen van Springer, Cuypers en Van Rijsse vormden de artistieke tegenhanger van het oorspronkelijke plan van Staatsspoorwegen, dat voor deze architecten veel teveel een technische en waterbouwkundige ingenieursingreep was, die weinig met goede stedenbouw te maken had. Hun plannen werden door de pers gunstig ontvangen, maar verdwenen uiteindelijk in een la omdat ze in wezen 'alleen maar' een esthetisch doel dienden, dat extra geld kostte. Bovendien verzette het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, aangevoerd door D.C. Meijer, zich tegen een nieuwe dempingsronde na het dichtgooien van de Nieuwezijds Voorburgwal, de Martelaarsgracht, het Spui en het Damrak tussen de Papenbrug en de Oudebrug in het begin van de jaren tachtig. En na de brochure 'Stedenschennis' van Jan Veth uit 1901, verschenen naar aanleiding van de dreigende demping van de Reguliersgracht, waren voortaan niet meer geometrische pleinen met fraai gevormde perken, maar schilderachtige grachten de nieuwe schoonheidsnorm. Hoe saai en bruin het grachtenwater op zichzelf ook was, in combinatie met de kades, de gevels en de bomen zorgde het voor een schilderachtig-monumentaal geheel. Zo hield ook de motie-Pijnappel stand, hoewel die in 1865 alleen de belangen van de scheepvaart op het oog had gehad en geenszins die van de esthetica.

Wilfred van Leeuwen

Voetnoten
(*) Vriendelijke mededeling van J.E. Abrahamse

[Waar is het Prins Hendrikplantsoen gebleven?]

(Uit: Binnenstad 282/283, juli/augustus/september/oktober 2017)

Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.