Falend waterbeleid

Het gemeentebestuur wil na de gedoogronden in 1984 en 1989 opnieuw een groot aantal illegale woonboten gedogen. Hiervoor worden geen inhoudelijke argumenten aangedragen; de enige reden is de dreigende verstoring van de openbare orde. Een oplossing van de problemen op het Amsterdamse water wordt daarmee naar de toekomst verschoven, terwijl de druk op het water alleen maar toeneemt.

Er vindt een gevecht om de schaarse ruimte plaats. Het aantal woonboten is gestadig gegroeid en het wonen op het water neemt ook steeds meer ruimte in door terrassen, drijvende tuinen en vlotten. Tegelijkertijd verschijnen er meer bootjes in de grachten en neemt het verkeer op het water toe. Steeds vaker botsen de claims op het water met elkaar.

"Verfraaiing" van het stadsbeeld op het water (foto Maarten Brinkgreve)

In 1993 werd de Dienst Binnenwaterbeheer (BBA) opgericht, waarna alle gemeentelijke taken en verantwoordelijkheden over het water in deze organisatie werden ondergebracht. In oktober 1994 verscheen de nota “Amsterdam te Water”. Doel van de nota was om na vele jaren verwaarlozing tot een geïntegreerd waterbeleid te komen. In de nota kwamen alle varende en drijvende objecten aan de orde: woonboten, bedrijfsvaartuigen, passagiersvaartuigen, pleziervaartuigen, vlotten en steigers. De nota beschreef een reeks maatregelen om het gebruik van het water te reguleren. Er was hierbij veel aandacht voor de woonbotenproblematiek. Allereerst moesten de woonboten zonder vereiste ligplaatsvergunning, de zogenaamde “illegalen”, worden aangepakt. Onder druk van de woonbootbewoners besloot de raad de nota aan te nemen met de toevoeging dat er een wachtlijstregeling voor vrijkomende lege plaatsen moest komen, evenals een structuurplan met als uitgangspunt “gestructureerde groei” (lees: beheerste groei).

Al spoedig moest het gemeentebestuur zijn tanden laten zien, omdat ongeveer 120 woonboten de illegaal ingenomen ligplaats moesten verlaten. In alle gerechtelijke procedures was het oordeel van de rechter dat de gemeente haar in de nota geformuleerde beleid kon uitvoeren. Daar dit niet vrijwillig gebeurde, moest “bestuursdwang” worden uitgevoerd. De zaak bleef geruime tijd slepen, waarna in april 1997 de eerste wegsleepactie plaatsvond. Twee agenten “met de platte pet” bliezen de voorgenomen verplaatsing echter af onder druk van verstoring van de openbare orde. Immers, in de krant hadden de woonbootbewoners gedreigd met geweld als de gedwongen verplaatsing zou doorgaan. Het College van B & W vroeg in de roemruchte raadsvergadering op 21 januari 1998 (waarin wethouder Bakker bijna slaags raakte met de fractievoorzitter van de PvdA) om het reeds aangenomen handhavingsbeleid te “herbevestigen”. Hetgeen gebeurde. In juni werden twee (!) illegale boten weggesleept.

In januari 1999 stond de evaluatie van het waterbeleid op de politieke agenda. De belangrijkste conclusie van het evaluatierapport luidt dat een visie voor de toekomst noodzakelijk is. Er zijn tegenstrijdige belangen op het water en daarom zou een “facet-bestemmingsplan” voor het water van de binnenstad moeten gaan gelden waarin keuzes worden gemaakt (*). Verder wordt geconstateerd dat de beleidsvoornemens worden gefrustreerd door gebrek aan ligplaatsalternatieven en door bezwaar- en beroepsprocedures die te lang duren. Op 10 december 1998, vlak voor de presentatie van het definitieve evaluatierapport, verscheen er opeens een persbericht van het College, waarin werd aangekondigd dat aan de bewoners van ongeveer 90 illegale woonboten een “tijdelijke” persoonsgebonden ligplaatsvergunning zal worden aangeboden. Bij verkoop of vertrek vervalt de vergunning. Met andere woorden: het gemeentebestuur zet een tweemaal door de raad vastgesteld handhavingsbeleid, getoetst door de rechter, stop uit vrees voor het door woonbootbewoners aangekondigde geweld. Tien jaar na de gedoogronde van 1989 worden opnieuw een groot aantal woonboten zonder ligplaatsvergunning gedoogd. Nu is augustus 1995 als uitgangspunt genomen. De eerste gedoogde woonboten kwamen in de jaren ’50 van het Buiten-IJ de binnenstad in, als een daad van barmhartigheid vanwege een harde storm. In Amsterdam moet je altijd oppassen voor tijdelijke maatregelen. Het verstrekken van een zogenaamd “tijdelijke” persoonsgebonden ligplaatsvergunning aan bewoners van illegale schepen is strijdig met het door de raad vastgestelde handhavingsbeleid en zal het illegaal innemen van openbare ruimte op het water stimuleren in plaats van ontmoedigen. Het tijdelijke karakter is mislijdend, omdat de ruimte die nu wordt ingenomen door illegale woonboten in de toekomst wordt toegewezen aan nieuwe woonbootbewoners, met andere woorden, de illegale ligplaatsen worden gelegaliseerd. De regeling is bovendien buitengewoon fraudegevoelig. Op deze manier komt er niets terecht van de pogingen het illegaal door particulieren ingenomen water terug te winnen. Het openbaar water zal langzaam maar zeker verder dichtslibben met als gevolg dat ook de wallekanten als openbare ruimte moeten worden opgegeven. Daarmee wordt de stedenbouwkundige structuur van één van de belangrijkste historische stadskernen van de wereld (straks voorgedragen voor de werelderfgoedlijst van de UNESCO) ernstig bedreigd en faalt het waterbeleid volledig.

Walther Schoonenberg

(*) Hierover hebben wij geschreven in Binnenstad 173 (november 1998), blz. 98-99.

(Uit: Binnenstad 175, maart 1999)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.