Felix Meritis: kanttekeningen bij een minimalistische reconstructie

Gebouw Felix Meritis aan de Keizersgracht is zonder twijfel één van de meest markante achttiende-eeuwse bouwwerken die Amsterdam rijk is. Voor liefhebbers van classicistische architectuur behoort Felix Meritis zelfs tot het fraaiste wat er op dit gebied in Nederland is gebouwd.
(links) Felix Meritis, Keizersgracht 324
(boven) Grachtenboek Caspar Philips met ingetekend Felix Meritis zodat te zien is welke grachtenhuizen zijn gesloopt voor de bouw van Felix Meritis

Bij het bewonderen van de monumentale gevel uit 1788 staat de vriend van de Amsterdamse binnenstad echter voor een dilemma. Immers, met zijn hoogte van bijna 23 meter torent deze majestueuze gevel met fronton en pilasters ver boven de naastgelegen grachtenpandjes uit. En is dat nu juist niet één van de voornaamste bezwaren van onze vereniging tegen het doen verrijzen van hedendaagse monstruositeiten als de Kolk en de Kalvertoren in het kwetsbare Amsterdamse stadshart? Zouden wij kortom niet alsnog dienen te protesteren tegen de in 1787 gepresenteerde plannen voor deze schaamteloze inbreuk op het ingetogen karakter van de Amsterdamse grachtenarchitectuur? Op deze wat absurde, maar daarom niet oninteressante vraag kom ik hierna nog terug.

Bewogen geschiedenis

Het interieur van Felix Meritis wordt momenteel gerestaureerd en dat vormt een goede aanleiding om nog eens stil te staan bij de bewogen geschiedenis van deze Amsterdamse cultuurtempel. Felix Meritis werd gebouwd om de bijeenkomsten van de gelijknamige, in 1777 opgerichte 'Maatschappij van Verdiensten' onderdak te bieden. Achttiende-eeuwse genootschappen als Felix Meritis (letterlijk: 'Gelukkig door Verdiensten') waren in hun streven naar kennisverbreiding en bevordering van kunsten en wetenschappen een typisch product van de Verlichting: de Rede gold in deze milieus als het belangrijkste middel om individuele en maatschappelijke vrijheid, voorspoed en vooruitgang te bewerkstelligen.
Aanhangers van het Verlichtingsdenken, waarin Holland vergeleken met Frankrijk en Duitsland overigens een uiterst bescheiden rol heeft gespeeld, verzetten zich onder meer tegen als onredelijk beschouwde tradities, waaronder de vanzelfsprekendheid dat iemands afkomst zijn plaats in de maatschappij bepaalde, eerder dan zijn persoonlijke verdiensten. De naam van het genootschap Felix Meritis laat zich zo eenvoudig verklaren. Of schoon zij zich hiermee impliciet keerden tegen de regenten-oligarchie die in Holland de bestuurlijke touwtjes vast in handen hield, moet men de Verlichters van Felix Meritis zeker niet zien als sociale revolutionairen, zoals de gelijktijdig opererende Patriotten dat wel waren. De oprichters van Felix Meritis waren allen beschaafde leden van de gegoede Amsterdamse burgerij, overwegend kooplieden en middenstanders dus, waarmee de 'verdiensten' uit de naamgeving ook een onmiskenbare economische betekenis kregen. Van de roerige politieke ontwikkelingen in het achttiende-eeuwse Holland hielden zij zich verre.

Genootschappen ter bevordering van kunsten en wetenschappen als Felix Meritis en bijvoorbeeld Teylers in Haarlem droegen vooral een vormend en educatief karakter. Zo konden de (mannelijke) leden er lezingen bijwonen op het gebied van de geesteswetenschappen, maar ook natuurwetenschappelijke proeven aanschouwen of zich bekwamen in het tekenen naar naaktmodel. Felix Meritis telde daartoe vijf zogeheten departementen: die der Natuurkunde, Tekenkunde, Letterkunde, Muziek en, als spil van het geheel, Koophandel of Economie. Nadat eerdere behuizingen van het genootschap aan de Leliegracht en de Oudezijds Voorburgwal door de sterke aanwas van het ledental te krap waren geworden, werd besloten, een geheel nieuw onderkomen aan de Keizersgracht te bouwen, waarin de activiteiten van de vijf departementen optimaal zouden kunnen plaatsvinden.

Winnaar prijsvraag: Otten Husly

Voor het ontwerp van het nieuwe gebouw werd, geheel in de meritocratische geest van het genootschap, in 1786 een prijsvraag uitgeschreven. De winnende inzending was van de hand van Jacob Otten Husly (1738-1796), directeur van de in 1765 opgerichte hoofdstedelijke Tekenacademie. Otten Husly is een van de belangrijkste architecten van gebouwen in Lodewijk XVI-stijl in Amsterdam en omstreken geweest. Na de zwierige barokke rococo-ornamentatie van de hieraan voorafgaande Lodewijk XV-stijl, kwam in Holland vanaf omstreeks 1770 een strenge en sobere architectuurstijl in zwang, die in zijn classicistische vormentaal rechtstreeks aansloot bij de Italiaanse renaissancearchitectuur uit de zestiende eeuw. Dergelijke wederoplevingen van het klassieke stijlidioom volgden gedurende de zeventiende en achttiende eeuw in Engeland, Frankrijk en Holland een vast patroon. Daarbij waren het vooral vorsten met verreikende ambities, zoals de koningen Charles I, Lodewijk XIII en XlV en onze stadhouders Frederik Hendrik en Willem III, die de toepassing van classicistische stijlelementen via paleisbouw hebben gestimuleerd. Ook bij het in zwang komen van de Lodewijk XVI-stijl in de Nederlanden blijkt de bouw van een vorstelijk paleis een beslissende factor te zijn geweest. Het classicisme van het in 1765 op de Brusselse Coudenberg gebouwde paleis van Karel van Lorreinen, de Oostenrijkse bewindvoerder over de Zuidelijke Nederlanden, oefende direct een krachtige invloed uit op de vormgeving van representatieve gebouwen in de Republiek.

Eén van de architecten van het Brusselse paleis, L.F. Druck, was in de jaren 1770 werkzaam in Amsterdam en behoorde tot degenen die het nieuwe, voornamelijk op Franse voorbeelden geënte classicisme vanuit het Zuiden naar Holland brachten. Hij was onder meer betrokken bij de bouw van de Muiderpoort en het stadhuis van Weesp, beide vanaf 1771. Hoofdarchitect van het monumentale stadhuis van Weesp was Otten Husly, die hierin zijn tijdens een studieverblijf te Parijs verworven kennis van het Franse classicisme voor de eerste maal op grote schaal kon toepassen. In het strenge gebruik van de klassieke vormentaal kan de stadhuisgevel te Weesp als opmaat worden beschouwd voor de gevel van gebouw Felix Meritis, die Otten Husly vijftien jaar later zou ontwerpen.

In Amsterdam ontwierp de architect een aantal gevels van voorname woonhuizen (o.a. Herengracht 382), waarin het classicistische idioom iets minder ostentatief is toegepast. Naast zijn werkzaamheden als architect en academiedirecteur stond Otten Husly aan het hoofd van een productief stukadoorsatelier, dat onder meer het interieur van het stadhuis te Weesp en dat van verscheidene Amsterdamse grachtenhuizen (o.a. Herengracht 462) van figuratieve en ornamentele stucdecoraties voorzag. Ook voor de stucs in Felix Meritis was Otten Husly als ontwerper en aannemer verantwoordelijk. Delen daarvan werden uitgevoerd door de beeldhouwer Jan Swart.

Doorsnede

Op 7 juli 1787 werd de eerste steen van het nieuwe genootschapsgebouw aan de Keizersgracht gelegd. Het complex van vier etages, bestaande uit een vierkant blok aan de grachtzijde en een ovale aanbouw daarachter, werd in ruim een jaar voltooid en op 31 oktober 1788 feestelijk in gebruik genomen. De gevel, uitgevoerd in Bremer hardsteen, wordt gedomineerd door vier pilasters van de kolossale orde met Corinthische kapitelen, bekroond door een tempelfronton, waarin een reliëf is aangebracht, voorstellende een bijenkorf (symbool van het genootschap), omgeven door symbolen van handel en zeevaart. In elk van de vijf traveeën bevindt zich boven de vensters van de eerste verdieping een reliëf, waarin op allegorische wijze de activiteiten van de vijf departementen van Felix Meritis zijn verbeeld. Veelzeggend genoeg neemt het reliëf van het departement van Koophandel hier de centrale plaats in!

De Concertzaal
op een oude prent

De verschillende departementen van Felix Meritis hadden alle hun eigen zalen. De ligging daarvan binnen het gebouw was afgestemd op de specifieke eisen die de beoefening van de betreffende kunsten en wetenschappen stelden. Zo was de zaal, waar de natuurkundige proeven plaatsvonden, in verband met de voor de experimenten benodigde lichtinval gelegen op de derde verdieping in het achterhuis en was de grote Concertzaal, waar men louter 's avonds bij kaarslicht bijeenkwam, op de begane grond gesitueerd. Lezingen werden gehouden in de Zuilenzaal op de eerste verdieping aan de grachtzijde. Op de hoogste verdieping daarboven bevond zich de tekenzaal, met een ingenieuze raamconstructie, waarmee de lichtinval precies geregeld kon worden. In de ruimte op de begane grond, waar zich tegenwoordig de bar van Felix Meritis bevindt, links van de entreehal, werden ook in de achttiende eeuw al verversingen geserveerd.

Minder belangstelling voor activiteiten

Na in de eerste decennia van de negentiende eeuw nog een grote bloei te hebben beleefd, liep de belangstelling voor de door het genootschap georganiseerde activiteiten in de loop van de eeuw snel terug. Wel bleef de Concertzaal van Felix Meritis tot de opening van het Concertgebouw in 1888 de belangrijkste muziekzaal in Amsterdam, waar beroemdheden als Johannes Brahms en Clara Schumann nog hebben opgetreden. In 1889, ruim een eeuw na de opening van het gebouw, was het genootschap evenwel genoodzaakt, zichzelf op te heffen en het pand te verkopen aan een drukkerij, de firma Holdert & Co.
In tegenstelling tot wat verwacht mocht worden (en dikwijls – ten onrechte – in de literatuur over Felix Meritis wordt gemeld), werd het interieur van het gebouw door de nieuwe gebruikers niet wezenlijk aangetast. Alle attributen van het genootschap, waaronder de omvangrijke verzameling boeken, kunstwerken, naturalia en wetenschappelijke instrumenten, werden vanzelfsprekend verwijderd en er werden hier en daar nieuwe betimmeringen aangebracht, maar er is relatief weinig weggebroken, vermoedelijk mede omdat dit duurder geweest zou zijn dan een cosmetische oplossing. Op de toestand, waarin het interieur momenteel verkeert, kom ik hierna terug.

Aankoop door de CPN

Een zware mutilatie onderging het gebouw in 1932, toen de bovenste verdiepingen van het voorhuis, waaronder de zalen van het voormalige departement van tekenkunde, waar op dat moment een lampenkappenfabriekje was gevestigd, door brand grotendeels werden verwoest. Nadat in 1943 het ovale achterhuis met de Concertzaal, dankzij de tussenkomst van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, ternauwernood aan de slopershamer was ontsnapt, werd het complex in 1947 aangekocht door de CPN. De persen van De Waarheid werden er geïnstalleerd, terwijl redactie en partijbestuur zich op de herbouwde bovenverdiepingen van het voorgebouw vestigden (om die reden nog steeds 'het Kremlin' genoemd).
Het neerslaan van de Hongaarse opstand door Russische troepen in november 1956 bracht vele verontwaardigde Amsterdammers ertoe, de ruiten van Felix Meritis in te gooien. Maar ere wie ere toekomt: vanuit het oogpunt van monumentenzorg is het communistische beheer van het gebouw bepaald gunstig geweest voor de conservering van het interieur. Vele onbezoldigde vrijwilligers voerden in de jaren veertig en vijftig immers respectvolle restauraties uit aan onder meer de stuc-versieringen van wanden en plafonds.
Na de eerste serie optredens in 1968 van Ramses Shaffy in de voormalige natuurkundezaal op de derde verdieping, ontwikkelde het eens zo gesloten communistische bolwerk Felix Meritis zich geleidelijk tot een 'multi-functioneel' theatergebouw, waar menig zich als vernieuwend afficherend toneelgezelschap onderdak vond. Met de verhuizing van de CPN en De Waarheid naar de Hoogte Kadijk in 1981 werd dit definitief de hoofdbestemming van wat het Shaffytheater was gaan heten.

Nieuw gebruik

Onder leiding van directeur Steve Austen heeft Felix Meritis inmiddels weer een nieuwe weg ingeslagen, waarbij – zo blijkt alleen al uit de naamgeving: Felix Meritis Foundation, Europees Centrum voor Kunst en Wetenschappen – nadrukkelijk aansluiting wordt gezocht bij de oorspronkelijke functie van het gebouw. Behalve als cultureel centrum manifesteert Felix Meritis zich nu ook weer op het terrein van onderwijs en wetenschappen, bijvoorbeeld door de prestigieuze Amsterdam Maastricht Summer University te ondersteunen en te huisvesten. Wat de culturele activiteiten betreft ligt de nadruk nu vooral op Europees georiënteerde projecten en de nieuwe media. Zo is door de Foundation een internationaal cultureel uitwisselingsprogramma opgezet en worden de televisieprogramma's van het Kunstkanaal er gemaakt.

Restauratie interieur

Terugkeer naar de idealen van de stichters van het gebouw vormde waarschijnlijk ook de achterliggende gedachte bij het initiatief tot restauratie van het interieur. Men tracht de achttiende-eeuwse architectuur weer in haar oorspronkelijke vorm zichtbaar te maken en latere toevoegingen zoveel mogelijk te verwijderen. Daarbij zijn inmiddels verrassende details blootgelegd, zoals de boekenkasten langs de wanden van de Zuilenzaal, die nog vrijwel intact achter de betimmeringen bleken schuil te gaan. Ook is bij het weghalen van een voorportaal van de Concertzaal een tweetal gave zuilen met Ionische kapitelen aan weerszijden van de toegang van deze zaal te voorschijn gekomen, waardoor de fraaie ingangspartij weer de aanblik van weleer biedt.

Voorportaal van de
Concertzaal

Deze Concertzaal, met haar unieke ovale vorm en classicistische pilasterdecoratie, vormt nog steeds het pronkstuk van het complex. Bestudering van de ornamentele details leert dat de stucversieringen van de wanden, onder meer in de Corinthische kapitelen, in bijzonder goede staat verkeren. Het plafond van de zaal wordt nu nog ontsierd door metalen grids, waaraan de theaterlampen zijn opgehangen, maar hiervoor in de plaats wil men, aldus een woordvoerder van Felix Meritis, een nieuw systeem van katrollen aanbrengen dat deze metalen ophangconstructies overbodig maakt. Iets dergelijks zou ook overwogen moeten worden voor de Zuilenzaal, genoemd naar de twaalf houten zuilen in het auditorium, waarvan het plafond eveneens achter metalen grids en toneellampen schuilgaat.

De Zuilenzaal

De enorme zuilen met de prachtig gesneden composiete kapitelen verkeren grotendeels nog in goede staat, waarbij beschadigde of ontbrekende onderdelen (als sommige guirlandes tussen de voluten) door een kundig restaurator probleemloos zouden kunnen worden aangevuld. De blootgelegde boekenkasten dragen in hoge mate bij aan de achttiende-eeuwse sfeer in deze ruimte, die gewoonweg schreeuwt om een nauwkeurige reconstructie van de oorspronkelijke toestand, inclusief de stuc-bustes van Apollo en Mercurius in de nissen aan weerszijden van de plek, waar eens het spreekgestoelte stond. Deze prachtig gesneden katheder van de hand van Jan Swart bevindt zich nu in het Rijksmuseum, maar zou toch eigenlijk weer het brandpunt van deze zaal moeten vormen. Zuilen, boekenkasten en kozijnen in de Zuilenzaal zijn momenteel van hun verflagen ontdaan, iets wat ook geldt voor de houten architecturale elementen in de ontvangstruimte en de bar op de begane grond. Met wat we weten over het in Lodewijk XVI-interieurs toegepaste kleurgebruik (overwegend wit), zou aan deze zalen zonder veel moeite weer hun vroegere aanblik teruggegeven kunnen worden, maar hier stuiten we op een verbijsterende eigenaardigheid van deze restauratie: men overweegt serieus de kale houten onderdelen ongeverfd te laten. Een minimalistische reconstructie dus, waarbij de 'eerlijke' materialen zichtbaar blijven. Deze nogal modieuze voorkeur voor onbewerkte, 'eerlijke' materialen manifesteert zich ook in de opzichtige toepassing van platen ijzer in verschillende delen van het gebouw. Nu is het, gelet op de huidige functie van het gebouw en de eisen die onze tijd stelt aan comfort en gebruiksgemak, natuurlijk niet mogelijk om het gebouw in al zijn details te reconstrueren. Sommige moderne toevoegingen verhogen zelfs het 'architectuurgenot', zoals het glazen dakraam achterin de bar, dat het mogelijk maakt de bakstenen buitenmuur van het ovale achterhuis in al zijn sobere schoonheid van nabij te bewonderen. Maar het valt te hopen dat men de huidige minimalistische koers ten aanzien van de beschildering zal laten varen. Wat zou het jammer zijn als zo'n uitgelezen kans om althans een deel van een van de belangrijkste Lodewijk XVI-interieurs in Amsterdam in oude luister te herstellen, niet zou worden benut! Nu moet hierbij worden aangetekend, dat de keuze voor een sobere restauratie deels door financiële overwegingen zal zijn ingegeven. De restauratie is een eigen initiatief van de Foundation Felix Meritis, die hiervoor tot dusver geen cent subsidie heeft mogen ontvangen. De beperkte financiële armslag van de Foundation leidt er tevens toe dat de restauratie in uiterst traag tempo verloopt en goeddeels door vrijwilligers wordt uitgevoerd. Het wordt dan ook hoog tijd dat de gemeente Amsterdam voor de restauratie van dit unieke monument royaal de beurs opent en de inzet van een professioneel restauratieteam mogelijk maakt. Als voorwaarde zou men dan kunnen verlangen dat de restauratie erop gericht is, het interieur waar mogelijk, en binnen grenzen van redelijkheid, in de achttiende-eeuwse toestand terug te brengen, ook en vooral wat de beschildering betreft.

Het trappenhuis

Vervolgen we onze rondgang door het gebouw, dan valt op, hoe goed het vermaarde centrale trappenhuis met zijn curieuze perspectivische werking bewaard bleef, inclusief de fijn gesneden trapleuningen en balustrades. Zelfs het allegorische diepreliëf met wetenschappelijke attributen van Jan Swart op de tweede verdieping is, op enkele eenvoudig te repareren beschadigingen na, nog goeddeels intact. Ook de voormalige natuurkundezaal (de tegenwoordige Shaffyzaal) is qua structuur niet wezenlijk veranderd sinds de dagen dat hier de werking van elektriseermachines en Leidse flessen werd gedemonstreerd. De omgang met balustrade lijkt deels authentiek en wat er van de stucversiering van de wanden verdween, kan op basis van wat bewaard bleef worden aangevuld. Het geheel zou gecompleteerd kunnen worden met de halfronde 'zittribune' die hier blijkens contemporaine afbeeldingen oorspronkelijk stond. Dit idee wordt momenteel serieus overwogen, aldus de woordvoerder van Felix Meritis, maar door gebrek aan beschikbare middelen zal ook dit plan voorlopig wel even in de ijskast blijven. Op het dak van het ovale achterhuis bevond zich vroeger het observatorium van het genootschap. Met de vele astronomische instrumenten die Felix Meritis bezat, werd hier eens door enthousiaste dilettanten de loop van de sterren bestudeerd. Staand op deze plek, die men in de toekomst eveneens voor het publiek hoopt te kunnen openstellen, besef je pas goed, hoe hoog het gebouw boven zijn omgeving uitsteekt. Het uitzicht dat tot ver over de stadsgrenzen reikt, is ronduit magnifiek.

Schaalverschil met de buren

Dat brengt ons terug bij de eerder geopperde bezwaren tegen het schaalverschil tussen Felix Meritis en zijn buren. Wanneer we de gevel nogmaals in ogenschouw nemen, vallen naast de monumentaliteit vooral twee andere aspecten op: de harmonieuze maatvoering en de subtiele detaillering van de gevelwand. Alle elementen zijn uiterst zorgvuldig volgens klassieke verhoudingen – zowel ten opzichte van elkaar als ten opzichte van het geheel – vormgegeven en tot in de kleinste details met groot vakmanschap uitgevoerd. De gevel bezit een intrinsieke schoonheid die in alle opzichten beantwoordt aan wat Vitruvius onder 'symmetria' verstond. Dat moet de reden zijn dat dit gebouw, ondanks zijn forse afmetingen, geenszins in het grachtenbeeld dissoneert. Geheel in de rationele geest van zijn eerste gebruikers waag ik hier te poneren dat de harmonie van dit gebouw objectief valt vast te stellen. Architecturale schoonheid is niet in the eye of the beholder, zoals veel moderne architecten ons willen doen geloven. Bij het protesteren tegen nieuwbouw in de binnenstad zou dan ook niet slechts gewezen moeten worden op de buitenproportionele schaal of het verkeerde materiaalgebruik, maar ook – en misschien wel juist – op het gebrek aan objectief waarneembare schoonheid van de meeste moderne architectuur.

Bob van den Boogert

(Uit: Binnenstad 172, sept. 1998.
Dit artikel is tevens verschenen in: Een veldboeket met distels, Amsterdam 2000.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.