“Beschermd Stadsgezicht als Opdracht”

Een zonderling symposium

Op 12 juni 1997 vond in de Rode Hoed een symposium over het Beschermd Stadsgezicht plaats, georganiseerd door de Dienst Binnenstad. Het symposium bood diverse beleggers, ontwikkelaars, architecten en gebruikers van de stad een podium, maar zij die al jarenlang op de bres staan voor het behoud van de binnenstad (zoals onze vereniging) waren niet uitgenodigd. Na protesten van diverse kanten werd op het laatste moment Wim Eggenkamp van Stadsherstel uitgenodigd. Enkele citaten van een leerzame middag, maar op een andere manier leerzaam dan wellicht de bedoeling was.
"spelen met de hoek"
(hoek Keizersgracht-Huidenstraat)
"perfecte harmonie" (Bungehuis)

Kunsthistoricus Manfred Bock die de spits afbeet, toonde enkele wazige dia’s. De balkons en erkers op de grachten die na 1860 in het stadsbeeld kwamen en in 1910 werden verboden zijn volgens hem een tweede karakteristiek geworden, naast de vlakheid van de oude gevels. Nieuwe elementen worden op een gegeven moment geaccepteerd en voegen zich moeiteloos in het stadsbeeld. Ook grote gebouwen kunnen het in de binnenstad “goed doen”. Het hoge levensverzekeringsgebouw, thans van Greenpeace, op de Keizersgracht hoek Leliegracht is “ruimte voor architectuur”. Het grote Bungehuis gezien vanuit de Gasthuismolensteeg “perfecte harmonie”. Het lelijke kantoorgebouw op de Keizersgracht hoek Huidenstraat “spelen met de hoek”.

"niet groot genoeg geworden" (Nieuwezijds Kolk)

De toon was gezet. Stedebouwkundige Frits Palmboom deed er nog een schepje bovenop door te constateren dat elk groot gebouw ook vroeger al als een ingreep werd beschouwd. Het Hoofdpostkantoor op de Nieuwezijds Voorburgwal (thans Magna Plaza) zou bij de huidige eisen niet zijn gebouwd, maar nu “zouden we het niet meer willen missen”. De welstandseisen zijn schadelijk, want het Nieuwezijds Kolk-project heeft er “duidelijk onder geleden”. Het is daardoor “niet groot genoeg geworden”.

Projectontwikkelaar Gerard Bakker kondigde zichzelf aan als iemand over wiens werk regelmatig in het blad Binnenstad wordt gepubliceerd. Hij noemde de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht “ronduit negatief”. Vele jaren geleden liep hij met iemand van het Bureau Monumentenzorg langs de grachten; de 19de eeuwse gevels met balkons en erkers werden geen blik gegund want zij waren schadelijk voor het stadsbeeld. “En nu staan deze panden op de monumentenlijst!” Maar “gelukkig is er nog wel een snee brood te verdienen”, vond Bakker, want oude panden waaraan veel geknoeid is, kun je maar beter slopen.”

Twee grapjes van Soeters: de Haarlemmerdijk en de Kerkstraat.

En dan waren er nog de architecten. Sjoerd Soeters verlaagde zichzelf tot een persoonlijke aanval op de makers van het boekje Amsterdam verdient beter. Het “vieze boekje” is gemaakt door een “incestueus gezelschap” en op een donker achterkamertje in elkaar gedraaid. Geurt Brinkgreve was ten onrechte de “God van de Monumentenzorg”, Max van Rooy “in de war” en Wiek Röling “gewoon een slechte architect”. Want wat heeft Röling eigenlijk gepresteerd? Vervolgens werd het werk van Röling de grond ingeboord en de conclusie was: “Amsterdam verdient inderdaad beter!” Vervolgens kregen we het werk van Soeters in de Haarlemmerdijk en de Kerkstraat te zien. Dat was tenminste wat! Soeters noemde het Beschermd Stadsgezicht een nieuw wapen in de Hoekse en Kabeljouwse twisten of, beter, kerktwisten. “Iedereen weet het beter, terwijl de architecten, die het het beste weten, niets mogen. En het Beschermd Stadsgezicht is in deze kerktwisten de Nieuwe Staten-vertaling.”

Carel Weeber sprak zich, zoals kon worden verwacht, nog duidelijker uit tegen het Beschermd Stadsgezicht. “Het is pure repressie!” Maar gelukkig heeft Weeber niets in Amsterdam gedaan en hij wil er ook niets doen, zeker niet onder deze voorwaarden. Felix Meritis op de Keizersgracht werd geroemd als het laatste gebouw dat gebouwd werd “voordat ons land insliep”. Het was twee keer zo hoog als de tot dan gebruikelijke bebouwing. Als Nederland niet was ingeslapen, waren alle gebouwen op de grachten zo hoog geworden als Felix Meritis. Maar het is niet gebeurd, dus zitten we nu opgescheept met dat “miezerige gedoe op de grachten”. Is er nog wat aan te doen? Ja, zei Weeber: “laat de radialen vrij!” Met de Noord-Zuidlijn door de Vijzelstraat zal hoe-dan-ook “een begin worden gemaakt met het bouwen van 100 tot 200 meter hoge gebouwen langs de route. En het is dan niet erg dat we van de grachten moeten afblijven. Want over honderd jaar zijn zij aan de beurt gesloopt te worden!”
Carel Weeber wil natuurlijk provoceren, maar tussen de provocaties door maakte het symposium wel duidelijk welke ideologie de afbraak van de historische stad moet legitimeren. Een veranderingsproces was er altijd, dus waarom zou dat nu moeten stoppen? De nieuwbouw van nu vormt de monumenten van morgen. Maar dan moet men wel zijn gang kunnen gaan. Want welstandseisen voorkomen dat architecten zich mogen uitleven en dan is het resultaat slechts middelmatigheid.
In deze op het eerste gezicht plausibele redenering wordt gemakshalve vergeten dat er een kloof gaapt tussen de oude en nieuwe architectuur. Vroeger ging men uit van een plaatselijke, Amsterdamse traditie, terwijl moderne architectuur overal kan staan, in Frankfurt, Hong Kong of Rotterdam. De architectuur van het verleden was ambachtelijk, pré-industrieel, en had veel aandacht voor detail en ornament. De huidige nieuwbouw is doorgaans arm in materiaalgebruik en detaillering en slechts groot in op de tekentafel getrokken lijnen. Bovendien wordt zelden aandacht besteed aan de stedebouwkundige context van een bouwplan en ook dat was vroeger wel anders. Daar komt nog bij dat zij die de cultuurhistorische waarden ontkennen dat doorgaans doen omdat zij deze beschouwen als een obstakel voor hun eigen creativiteit. Een gebouw moet in die visie een visitekaartje zijn. Niet het stadsbeeld maar het persoonlijk gewin staat voorop. Zie hier enkele redenen waarom wij zelden tevreden zijn over nieuwbouw in de Amsterdamse binnenstad. Een gelukje bij een ongeluk is dat de nieuwbouw van vandaag doorgaans zo slecht van kwaliteit is dat deze binnen vijftig jaar moet worden gesloopt en dus niet eens toekomt aan de wettelijke termijn vereist voor aanwijzing tot beschermd monument.

Dit symposium doet het ergste vrezen over de wijze waarop de gemeentelijke overheid invulling gaat geven aan de aanwijzing tot Beschermd Stadsgezicht. Laten we wel zijn, behoud en herstel van de binnenstad was altijd een aangelegenheid van particulier initiatief. Het waren particulieren die de demping van de Reguliersgracht en de Leidsegracht hebben tegengehouden en die de Amsterdamse Maatschappij tot Stadsherstel hebben opgericht. Zij hebben het spectaculaire herstel van de woonfunctie van de binnenstad tot stand gebracht; de gemeente was helaas meestal een blok aan het been. Dat is de maatschappelijke realiteit die heeft geleid tot de aanwijzing tot Beschermd Stadsgezicht en die verklaart waarom het zoveel jaar heeft geduurd. De aanwijzing moet en kan een belangrijke rol gaan spelen in de bescherming van onze fraaie binnenstad, de grootste historische stadskern van Europa, tegen beleggers, ontwikkelaars, architecten en gebruikers die er slechts op uit zijn om, zoals Gerard Bakker het verwoordde, “een snee brood te verdienen” en, niet te vergeten, overheidsdienaren die hen maar wat graag van dienst zijn.

Walther Schoonenberg

(Uit: Binnenstad 165, sept. 1997.
Dit artikel is tevens verschenen in: Een veldboeket met distels, Amsterdam 2000.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.