Interview met Leon Deben

"Een morsige stad zorgt voor morsige bewoners"

Leon Deben hoort niet bij de binnenstad-doemdenkers. Hij schudt bijvoorbeeld zijn hoofd als uit het stadhuis weer sombere geluiden komen over het afnemen van het aantal arbeidsplaatsen; hij begrijpt die somberheid niet.

"Er werken in de binnenstad nog 75.000 mensen. Het is het grootste bedrijventerrein van Nederland. En wat is er tegen als grote kantoren die uit hun jasje zijn gegroeid ergens anders naar toe gaan? Zij maken ruimte voor andere ontwikkelingen. En wat is er tegen dat kantoorruimte wordt omgezet in woonruimte? Op het stadhuis hoor je dan dat ze bang zijn dat die grote panden worden uitgepond, dat een grachtenpand wordt gesplitst in dertig appartementjes, zodat het karakter van zo'n pand verloren gaat. Maar dat dachten ze ook, toen er ideeën kwamen om pakhuizen tot woningen te verbouwen."

Leon Deben is voorzitter van de vakgroep sociologie van de Universiteit van Amsterdam en is vanaf eind jaren zestig op allerlei manieren betrokken bij de stadsontwikkeling. De ontwikkelingen in Amsterdam volgt hij op de voet, onder andere als lid van de Raad voor de Stadsontwikkeling. Dat hij niet tot de doemdenkers behoort, komt dus niet door gebrek aan kennis.

De cijfers lijken verontrustend. Het aantal arbeidsplaatsen in de binnenstad daalt, maar ook het aantal inwoners loopt langzaam maar zeker terug. Het zijn er nu 79.145, dat is een kleine vijfhonderd minder dan in 1995, ondanks het feit dat het aantal woningen in diezelfde periode met een kleine zevenhonderd toenam. Volgens Deben is het dalen van het aantal arbeidsplaatsen logisch, omdat kantoren die uit hun jasje zijn gegroeid, ergens anders een plek zoeken, zodat er weer ruimte komt voor kleine kantoren die in de binnenstad aan hun groei kunnen beginnen. Het aantal woningen zal de komende jaren toenemen. Het gemeentebestuur van Amsterdam vreest dat het wonen de overhand krijgt en overweegt op sommige plekken het omzetten van kantoren in woningen tegen te gaan. Deben is het daar niet mee eens: "Het omzetten van kantoren naar woningen is goed. Mensen die in de binnenstad wonen, zetten daar meer om dan de kantoormensen die 's morgens met hun lunchpakketje binnenkomen en na het werk, eventueel na een cafébezoekje, vertrekken. Merkwaardig eigenlijk dat niemand daar onderzoek naar doet. En wat die werkgelegenheid betreft: er vertrekken inderdaad veel kantoren, maar er komt andere werkgelegenheid. Wist u dat twintig van de grote tv-programma's in Amsterdam worden gemaakt? Niet in Hilversum, niet in Aalsmeer, maar in de binnenstad. Dezelfde binnenstad die ook een grote aantrekkingskracht op reclamemensen heeft. En dan heb je nog de kantoorpanden die leeg komen en waarin bureauruimte plus fax en telefoon wordt verhuurd, aan freelance journalisten en tekstschrijvers bijvoorbeeld."
Elke keer dat hij over de binnenstad spreekt, hamert hij erop dat een goede openbare ruimte belangrijk is voor het goed functioneren van die binnenstad. Bezoekers en bewoners moeten er zich op hun gemak en veilig voelen. Ik vertel hem dat ik na terugkeer van een bezoek aan Barcelona, Amsterdam opeens ervoer als een sjofele dame. Hij knikt: "Sinds de Amsterdamse School hebben we het geïntegreerd ontwerpen verleerd. Wat er op het Spui is gebeurd, dat is goed, en misschien krijgt dat op de Dam een mooi vervolg. Maar het is in Amsterdam vaak zo hap snap, het is vaak niet doordacht. Neem die brug over de Amstel bij het verzorgingstehuis Tabitha. De brug is prachtig gerestaureerd en dan gaat er vervolgens een kwak asfalt op. De hele context is meteen weg. Damrak en Rokin, dat ontwerp is nu al gedateerd. Nou ja, het was tenminste een eerste poging om het publieke domein te verfraaien. Menselijke maat, goede materialen, het letten op de functies die een gebied moet hebben, het zijn allemaal simpele waarheden, maar vaak blijkt dat er te weinig aandacht is om ze ook in de praktijk te brengen. Een simpele waarheid is ook dat een plein ergens toe moet dienen. Een ideaal plein is een ontmoetingsplaats, een plek om te flaneren, geen ruimte om snel over te steken. Eenvoudig, niet waar? Maar neem het Heinekenplein bij de Ferdinand Bolstraat, dat is een vage ruimte en dan krijg je verval. Dat zie je op meer plaatsen en in een morsige stad wordt morsig gedacht en een morsige stad zorgt voor morsige mensen. Dat hebben we gezien met die tramhokjes die tot een paar jaar geleden in de stad stonden. Die gore ijzeren hokken, wat een rommel kreeg je daar. Nu staan er hokjes die er goed uitzien, maar dat komt ook, omdat elke dag de rommel wordt weggehaald en weggepoetst. Je moet in een stad voortdurend aan de gang blijven, het is nooit goed, je bent nooit klaar."

Leon Deben werkt in het Oost-lndisch Huis bij de Oude Hoogstraat. Hij ziet elke dag wat de gevolgen zijn als een openbare ruimte niet duidelijk aangeeft voor wie die is bestemd. Er zijn geen verhoogde trottoirs, met als gevolg dat voetgangers het idee hebben dat al die ruimte er voor hen is, en dat leidt tot talrijke botsingen en bijna-botsingen met fietsers. Buitenlanders die er lopen weten helemaal niet wat hen daar overkomt, ze zijn het niet gewend dat overal fietsers opduiken. De Oude Hoogstraat zou volgens de prognoses een leuke, aantrekkelijke straat worden. Het tegendeel is gebeurd. Leon Deben: "Het is er Nieuwendijkachtig geworden. Laat de gemeente toch goed zorgen voor de openbare ruimte, laat ze zorgen voor een goede detaillering, laat ze duurzame materialen gebruiken, laat de mensen zien dat de openbare ruimte je als gemeente interesseert."

Tijdens een congres dat in maart over de binnenstad werd gehouden, omschreef Deben de binnenstad als een mozaïek en een arena. Een mozaïek als het om de variëteit aan functies gaat, als een arena als je het hebt over een gebied, waar iedereen een plek wil veroveren, waar belangen botsen, waar opdringers en verliezers zijn.
De toeristenindustrie is van dat laatste een voorbeeld. "De VVV roept trots dat er tijdens een weekeinde 350.000 toeristen zijn geweest. Ze willen nog meer mensen trekken. Nu zie je als toerist nog een levende stad, waar mensen werken en wonen, maar als je de drukte te veel opvoert dan gaat die massaliteit wurgend werken; dan kan dat een reden zijn voor bewoners om de stad te verlaten. Mijn grootste angst is dat de binnenstad 'verdisniseert' dat er steeds meer attracties komen in het stadshart. Op het Waterlooplein heb je nu Holland Experience." Zijn gezichtsuitdrukking maakt duidelijk dat hij het geen aanwinst voor de stad vindt. "Heb je die gevel gezien, er zijn allemaal ornamentjes opgeplakt. Bij sommige manifestaties in de Nieuwe Kerk zet ik ook vraagtekens. Soms lijkt die kerk een Madame Tussaud voor intellectuelen. De toeristenstromen dreigen te groot te worden, mensen gaan roepen om het stellen van grenzen. Je zag het bij het Begijnhof, je hoorde het, toen de café-eigenaren van het Rembrandtplein riepen dat ze genoeg hadden van die provincialen die er hun vrijgezellenfeesten komen houden en de boel op stelten zetten. Ook in de winkelstraten verdringen zich soms te veel mensen Het kan teveel worden. In Utrecht gebeurde dat op Hoog Catherijne. Daar moest iemand op een stoel gaan staan om het voetgangersverkeer te regelen." Hoewel Deben geen doemdenker is, maakt hij zich wel zorg over sommige zaken. Volgens hem heeft het stadsbestuur bijvoorbeeld geen idee, welke ontwikkelingen zich in de binnenstad voordoen. "Vroeger hield de gemeente bouwblokonderzoeken, zo kwamen ze er achter wat er met panden gebeurde. Daar waren we sterk in. Nu is dat bouwblokonderzoek geminimaliseerd, ze weten niets meer. Aan de Amstel en de Amstelstraat is een groot aantal panden van eigenaar veranderd. Er zijn nu nog maar zeven eigenaren en een deel heeft speculatieve bedoelingen. De gemeente weet er onvoldoende van. Je moet daar een afdeling hebben die niet alleen voor dat onderzoek zorgt, maar die ook de ontwikkelingen kan interpreteren. Wij hebben zelf een onderzoek gedaan, waarbij we mensen in Buiksloterham en in de Mercatorbuurt schriftelijk vragen stelden. Het aantal reacties uit de Mercatorbuurt was onverklaarbaar lager dan uit Noord. We hebben de indruk dat in een aantal woningen in de Mercatorbuurt niet degenen wonen die in het bevolkingsregister staan ingeschreven. Het bevolkingsregister is vervuild en alleen daarom al is het nodig in bouwblokken steekproeven te doen. Het bureau 'Onderzoek en Statistiek' van de gemeente wordt geprivatiseerd. Amsterdam was zo sterk bij het onderzoeken van allerlei ontwikkelingen. Dat dreigt nu verloren te gaan. Het beheer van de stad en het stellen van regels moeten gebeuren op grond van kennis en daaraan ontbreekt het."

De nieuwbouw op de plek van het gesloopte Maupoleum

Onbegrijpelijk vindt hij dat het water niet goed wordt gebruikt. "Je zou om het kwartier bijvoorbeeld boten langs vaste punten kunnen laten varen. Die museumboot, dat is toch ook een succes, en zo kan je op nog vele manieren het water aantrekkelijker maken en het wegverkeer ontlasten." Iets, waar Deben zich aan heeft geërgerd, is de brugkeuze voor het Java-eiland. "Daar komt anno 1997 een brug die niet open kan. Als er schepen door moeten, dan moet een deel van de brug verwijderd worden. Dat is toch van de gekke." En dan die zogenaamde stadslus, waarvoor de gemeente gekozen heeft. Hij vindt die van een benepenheid getuigen die niet bij Amsterdam hoort. "Het is geen lus, het is een lusje dat de verkeerde kant oploopt en dat tegen je gevoel ingaat. Wat moet je met dat rare gedoe over het Spui, waarvoor nu is gekozen? Soms begrijp ik dingen die in de stad gebeuren niet. Een goede ontsluiting naar Amsterdam-Noord is nodig. Maar wie haalt het dan in zijn hoofd om de Valkenburgerstraat te versmallen? Je moet soms enig verzet tonen tegen buurtcentra die iets willen wat niet goed voor de stad is."
Maar soms vallen dingen mee. Zoals de nieuwbouw op de plek waar eens het lelijke Maupoleum stond. Leon Deben: "Toen ik het ontwerp op de tekening zag dacht ik dat het veel te groot en massaal zou worden, maar dat blijkt niet zo te zijn. Ik vind het een verbetering, vergeleken met het Maupoleum. Maar wat ligt er omheen? Tweedehands tegeltjes van dertig bij dertig centimeter. Ze doen dat vaker. De Plantage heeft heel lang open gelegen. Nou hebben ze er weer oude, lelijke tweedehands tegels in gelegd. Zo moet je natuurlijk niet met je openbare ruimte omgaan."

Frans Heddema

(Uit: Binnenstad 164, juni 1997.
Dit artikel is tevens verschenen in: Een veldboeket met distels, Amsterdam 2000.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.