'Amsterdam te water'

Dat wethouder De Grave een storm van protest zou ontketenen met zijn concept-nota "Amsterdam te water", was te verwachten. Voor het eerst sinds jaren van gedogen, van laat-maar-dobberen en de anderekant-opkijken durft het gemeentebestuur de stelregel te formuleren dat bootbewoners en walbewoners dezelfde rechten, maar ook dezelfde plichten moeten krijgen.

Aan het verkrijgen en behouden van een ligplaatsvergunning voor onbepaalde tijd worden voorwaarden verbonden: een periodieke schouw, welstandseisen en milieueisen. Het aantal woonarken - met betonnen casco en rechthoekige opbouw - moet verminderen, originele woonschepen genieten de voorkeur. Het totale woonbotenbestand in de stad wordt niet uitgebreid. In de binnenstad zijn 80 illegale schepen gesignaleerd, die zullen weg moeten. De regel dat woonschepen minstens 10 m afstand tot bruggen moeten bewaren, zal strenger worden gehandhaafd. Drijvende aanhorigheden, zoals vlotten, moeten verdwijnen. Woonschepen die aan de eisen voldoen krijgen een huisnummer. Ook aan het passagiersvervoer worden nieuwe eisen gesteld; de boten zullen schoner en geluidsarmer moeten varen: minder stank en lawaai. Omdat veel walen bootbewoners hun motor-, zeil- of roeiboot afmeren waar ze een gunstig plekje vinden, en zo de grachten gebruiken als goedkope jachthaven, komt er een algemeen afmeerverbod, behalve op door het gemeentebestuur aangegeven plaatsen. Voor passanten zullen speciale plekken worden gereserveerd in de binnenstad.
Dat zijn de belangrijkste beleidsvoornemens in de goed gedocumenteerde nota. Er komen nog uitvoerige inspraakronden, waarin de bootbewoners hun grieven en wijzigingsvoorstellen naar voren kunnen brengen. Voor degenen die op een aantrekkelijke plek in de grachten op het water wonen, is het een hard gelag wanneer hun gedoogde, veilig geachte situatie ineens onzeker wordt en zij het risico lopen te worden versleept naar een nieuw in te richten plek ergens in het havengebied. Er zal een gefaseerd overgangsbeleid geformuleerd moeten worden wanneer de nota eenmaal, al dan niet gewijzigd, zal zijn vastgesteld.
Niet alleen voor de bootbewoners, ook voor de ambtenaren die met het toezicht te water zijn belast, wordt het een moeilijke tijd. In ons vorige nummer signaleerden wij twee recente voorbeelden van onbehoorlijk ambtelijk handelen, dan wel niet-handelen. Ook dat is terug te voeren tot het beleidsvacuüm van de achter ons liggende decenniën. De noodzaak om maatregelen te treffen - en te handhaven! - komt niet alleen, zoals de concept-nota stelt, voort uit de toenemende drukte op het water en het gesignaleerde misbruik van kades en aanlegsteigers, maar ook, in de eerste plaats zelfs, uit het eenhandje-lichten met de al bestaande regels. Wethouder De Grave zal zijn Dienst Binnenwaterbeheer stevig in de hand moeten houden.
In de nu weer opgelaaide discussie over de wildgroei op het water richt zich, merkwaardigerwijs de boosheid van de bootbewoners vooral tegen onze vereniging. Onze bijdrage aan de discussie bestond uit de opiniepeiling van 1985, die aantoonde dat 70 % van de ruim 2500 antwoorden zich uitsprak voor geleidelijke beperking van het aantal ligplaatsen, 20 % de situatie van toen wilde handhaven, en 10 % koos voor uitbreiding. Dat onder die 10 % veel bootbewoners waren, spreekt vanzelf. Blijkbaar zijn zij nog altijd kwaad over die cijfers. In NRC-Handelsblad van 20 oktober jl. stonden naast elkaar artikelen van Dea Koert, wonend in een gerestaureerd pakhuis aan de Brouwersgracht ("De anarchie op het water is niet te verdragen"), en van J.P. Lahaise, bootbewoner in de binnenstad ("Woonboten bepalen het gezicht van Amsterdam"), die aldus begint: "Onder de kop 'Amsterdamse "woonboters" bang dat gezeur zal winnen' berichtte deze krant op 15 oktober over de lobby van een gezelschap zich 'vrienden van de Amsterdamse binnenstad' noemende yuppies. Als het aan deze 'vrienden' ligt wordt de binnenstad een soort Disneyland met nog maar een 'beperkt aantal mooie schepen' in de grachten, aldus bepleit G. Brinkgreve, secretaris van de 'vrienden'. Een probleem is echter dat ik de eerste yuppie nog moet tegenkomen met ook maar iets van gevoel voor esthetiek. De Amsterdamse yup, veelal woonachtig in het soort wanstaltig opgekalefaterde pakhuizen dat men aan de Brouwersgracht aantreft, kenmerkt zich door een ongegeneerd post-kapitalistisch egoïsme. Met zekerheid mag dan ook worden aangenomen dat onze 'vrienden van de binnenstad' een zéér beperkt aantal zogenaamd mooie schepen voor ogen heeft, namelijk de eigen met veel chroom opgetuigde grenensloepjes die bij het verdwijnen van de woonschepen voor de eigen pakhuisdeur kunnen worden geparkeerd. Laat de gemeente Amsterdam in godesnaam betere vrienden uitkiezen".
Voor het niveau van de argumentatie is dit uitvoerige citaat verhelderend; weerlegging zou verloren moeite zijn. De leden van onze vereniging zullen wel opkijken over de karikatuur die van hen wordt geschetst.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 149, dec. 1994.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.