Woonarken in de binnenstad

In maart 1985 organiseerde onze vereniging een opiniepeiling over het gestadig groeiende aantal woonschepen in de binnenstad. Van de circa 14.000 huis-aan-huis langs de grachten en in enkele horecabedrijven gedistribueerde folders kwamen 2522 antwoordkaarten terug op ons secretariaat - een verrassend grote respons.

De tekst waarop een antwoord werd gevraagd, luidde als volgt:
Ondergetekenden:

  • erkennende dat voor woonschepen passende ligplaatsen en voorzieningen binnen de gemeentegrenzen nodig zijn;
  • zijn van mening dat het aantal woonschepen in de binnenstad (binnen de Singelgracht):
    A - geleidelijk moet verminderen
    B - op het huidige aantal en de huidige ligplaatsen mag blijven
    C - mag worden uitgebreid.
De notarieel vastgelegde uitkomst leverde 1745 antwoorden op voor A, 523 voor B, en 254 voor C. Uit de adressen van de inzenders bleek dat de laatste groep grotendeels uit woonschipbewoners bestond. Aanleiding tot de enquête was de in de folder geciteerde uitspraak van Burgemeester en Wethouders dat "woonschepen uitstekend passen in een beleid tot realisering van een compacte stad. Van oudsher hebben schepen mede het stadsbeeld bepaald, waarvan wonen op het water de jongste verschijning is, op zichzelf bijdragend tot verhoging van de dynamiek en de levendigheid van de stad".
In dat soort prietpraat werd het feit verpakt dat vele jaren lang de geldende bepalingen over ligplaatsen niet waren gehandhaafd en dat het gemeentebestuur dit verzuim wilde toedekken door het legaliseren wat eerst was 'gedoogd'.
Heel wat duidelijker dan het recente referendum over de autoluwe binnenstad gaf de enquête weer dat een aanzienlijke meerderheid van de respondenten dat verhaal niet slikten. Duidelijk was ook dat onze vereniging, gesteund door die meerderheid, geen actie voert tegen het wonen op het water op zichzelf, maar tegen de ontsiering van het stadsbeeld door het groeiende aantal, de omvang en de vorm van de woonschepen in de binnenstad. Accepteert de overheid het woonschip als een manier van wonen, dan moet de gemeente, net zoals voor woningbouw op het land, zorgen voor passende plekken en regels stellen van welstand en voorzieningen, dus woonschiphavens in plaats van bouwrijp terrein.

Nota Woonschepenbeleid (1989)

De discussie die in de jaren na de enquête in het Stadhuis en in de pers werd gevoerd leidde ten slotte tot de "Nota woonschepenbeleid" van 1989. Wie had verwacht dat daarmee een begin zou worden gemaakt met het 'opschonen' van de meest volgeplempte delen van de grachten kwam bedrogen uit: handhaven van de bestaande toestand was de algemene strekking. Enkele winstpunten werden echter toch vastgelegd. Ligplaatsen voor woonschepen zouden in het vervolg alleen in een bestemmingsplan kunnen worden aangewezen, er werden maximumlengte-, breedte- en hoogtematen vastgesteld en, wat misschien wel het belangrijkste was, er werd onderscheid gemaakt tussen enerzijds de nog als vaartuig herkenbare schepen, waarvan soms de traditionele vorm zelfs goed in het stadsbeeld kan passen en anderzijds de woonarken, de bungalows op betonnen bakken. Zonder daarop nader in te gaan werd zodoende erkend dat de woonarken in de historische stad niet "bijdragen tot verhoging van de dynamiek en de levendigheid van de stad", zoals Burgemeester en Wethouders vijf jaar tevoren zo optimistisch hadden beweerd, maar dat het storende elementen zijn en blijven. Dit komt tot uiting in de bepaling dat er in de binnenstad geen woonarken bij mogen komen, ook niet ter vervanging van een andere ark of van een woonschip. Men zou dat een 'uitstervingssysteem' kunnen noemen, ware het niet dat het lang duurt voordat betonnen bakken vergaan. Bovendien kregen walbewoners bij wijzigingen in de bestaande situatie enige waarborgen: tijdige kennisgeving, overleg en inspraak.

In strijd met alle beleidsvoornemens van de gemeente kreeg deze ark onlangs een ligplaats in de Brouwersgracht.

Waar blijven de plannen voor nieuwe woonschiphavens?

Indien het gemeentebestuur werkelijk een woonschepenbeleid had willen voeren, dan zouden er nu tenminste plannen klaarliggen voor nieuwe woonschiphavens met riolering en aansluitingen op de nutsbedrijven, om de groei op te vangen en overtreders van de voorschriften daarheen te kunnen verslepen. Dat is niet gebeurd.
Herhaaldelijk werd ons secretariaat geattendeerd op nieuwe, grote, storende woonarken, die ongemoeid werden gelaten.
Maar het ergste is dat de gemeente zelf haar eigen voorschriften als waardeloos terzijde schuift. Hier volgen twee recente voorbeelden.

Vóór het pakhuis de Dolfijn, Brouwersgracht 191, lag tot mei 1990 een scheepsreparatie-werfje, bestaande uit een paar kleine bootjes, een bak en wat reparatiemateriaal. Het was een wat rommelig, maar wel levendig gedoe, zoals dat van oudsher in dit deel van de grachten thuishoorde, dat het uitzicht op het water van de walkantbewoners niet blokkeerde. Op die plaats liggen nu twee zeer grote arken: een als woning en een als opslag, met bovendien een schaftwagen op de walkant. De plaats was zonder enig overleg met de walkantbewoners aangewezen door de projectgroep Gouden Reaal, die ruimte moet vrijmaken aan de Eilandsgracht voor de verbreding van de spoorbaan. Inmiddels is er een derde ark bijgekomen, op de bak van een uitgebrand exemplaar. De bewoner gaf als adres een huis aan de walkant op, zodat degene die daar al jaren gevestigd is, naar het Bevolkingsregister moest gaan om aan te tonen dat hij niet uit Amsterdam was vertrokken!
Tegen deze gang van zaken is namens onze vereniging en negen andere bezwaarden beroep ingesteld bij de AROB-commissie, als eerste stap voor een procedure voor de Raad van State.

Een tweede geval doet zich voor aan de Prinsengracht. Daar ligt voor de panden nrs. 1039 t/m 1043 al bijna twintig jaar een dekschuit, eigendom van enkele bewoners van die huizen. De dekschuit is voor iedereen toegankelijk, voor vissers en in-de-zon-zitters, als aanlegplaats voor rondvaartboten en zo meer. In dat rak van de Prinsengracht tussen de Reguliers- en de Vijzelgracht ligt verder al sinds jaren een rij woonschepen, overwegend vroegere binnenvaartschepen, die min of meer in het stadsbeeld zijn opgenomen. Alleen: het moeten er niet méér worden, en zeker geen arken. De eigenaren van de dekschuit werden door de gemeente gesommeerd vóór l april de dekschuit te verwijderen om plaats te maken voor een woonark, die, evenals bij het geval-Brouwersgracht, weg moet voor de spoorbaanverbreding. De eigenaren van de dekschuit zijn daartegen in beroep gegaan bij de Raad van State en onze vereniging heeft zich daarbij met een bezwaarschrift aangesloten. Daarin wordt gewezen op bepalingen van de Nota 1989, dat er geen woonarken in de binnenstad bij mogen komen, ook niet ter vervanging. Onze brief eindigt aldus: "In het onderhavige geval is het Gemeentebestuur voornemens, op een zeer gevoelig punt van de grachtengordel, nabij de kruising Reguliersgracht-Prinsengracht, een 24 meter lange en 2,5 meter hoge woonark een legale ligplaats te geven. Daartegen maakt onze vereniging bezwaar.
In het door Burgemeester en Wethouders overgenomen advies van de Commissie ex artikel 14 Wet AROB wordt dienaangaande slechts opgemerkt: 'De woonark zal een belangrijk deel van het uitzicht gaan uitmaken. Overigens is het verschijnsel woonark, hoewel niet door ieder geapprecieerd, niet bepaald zeldzaam in de Amsterdamse binnenstad'.
Inderdaad zijn verstoringen van het monumentale stadsbeeld niet bepaald zeldzaam in Amsterdam en worden deze niet door iedereen geapprecieerd. Onze vereniging is van mening dat een zo nonchalante constatering geen argument kan bieden om dergelijke verstoringen van overheidswege, in strijd met de gemeentelijke beleidsvoornemens, te tolereren, laat staan af te dwingen".

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 134, juni 1992)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.